AL HET GELUK VOOR JORAM
Wat is het toch altijd druk bij de Schone Poort van de
Tempel te Jeruzalem. Honderden mannen en vrouwen klimmen dagelijks de trappen op.
Ze gaan door de poort om in de Tempel te bidden. Daarom heeft Joram, de
verlamde man, daar zijn vaste plekje gekozen. Mensen die tot God bidden, geven
graag geld aan een arme stumper. Soms haalt hij veel geld op en soms, als de
belasting weer eens verhoogd is, wat minder. Zou hij vandaag minder geluk
hebben? Ga je mee kijken? Het is een warme dag in het jaar 33 na Christus.
'Opzij! Opzij! Mogen wij er even door?'
Moshe en Jacov sjouwen met hun vriend Joram door de mensenmenigte. Pft! Wat is hij zwaar. Ze dragen hem de trappen op en
leggen hem naast de poort neer.
'Zo. Op je vaste plekje, hè, Joram? Zit je zo goed?'
vraagt Moshe. 'Hier is je
waterkruik. Enne veel mazzel, hoor! (veel geluk!)
Jacov zegt: 'Mazzel
tov, Joram! Tot vanavond maar weer.'
De invalide man tilt met moeite zijn rechterhand omhoog
om hen te groeten. 'God zegene jullie, hoor!'
Hij schuift wat dichter naar de muur.
Leunend tegen de witte pilaar kan hij zich een tijdje
rechtop houden. Zijn magere handen grabbelen naar het houten bedelschaaltje en
hij begint te roepen: 'Geld alstublieft! Heeft u nog
wat voor een arme stumper als ik.'
Daar zit hij dan, net als gisteren en eergisteren en de
dag ervoor. De mensen kennen hem goed. Sommigen gaven hem al wat kopergeld toen
ze nog kinderen waren. Joram is al meer dan veertig jaar verlamd. Vanaf zijn
geboorte. Werken kan hij niet en bidden in de tempel ook niet, maar het ergste
is wel dat domme gepraat van de mensen. Ze zeggen tegen elkaar: 'Het is de
straf van God.'
Dan voelt Joram zich zo ellendig. Het is net of hij er
niet bij hoort. Gelukkig heeft hij een paar fijne vrienden die hem elke dag
hier neerzetten.
'Geld alstublieft... Dankuwel!'
'Ben je klaar, Johannes?' vraagt Petrus
ongeduldig. 'Er lopen al zoveel mensen naar de tempel.'
'Ja, ik kom!' antwoordt Johannes. Hij gespt zijn lange
mantel om. Samen lopen ze naar de tempel. Het is al bij drieën, bijna
gebedstijd.
'Het is geweldig, Petrus!'
zegt Johannes blij. 'Nu kwam er weer iemand bij me om te vertellen dat hij al
zijn geld aan de arme mensen heeft gegeven. Het was Stefan, de verver, weet je
wel?'
'Fijn, zeg!' roept Petrus enthousiast, 'Het werk van Jezus gaat door. Heb je
al gehoord van...'
Petrus kan zijn zin
niet afmaken, want door de drukte worden ze uit elkaar gedreven. Vrouwen en kinderen,
grijsaards en schriftgeleerden, alles krioelt door
elkaar.
Juist willen ze door de poort lopen, als Johannes iemand
aan zijn jas voelt trekken. Hij draait zich om en ziet Joram zitten.
'Hebt u wat geld, alstublieft voor een arme stumper als
ik?' vraagt de man.
'Petrus, kom eens hier!' roept
Johannes.
Joram laat zijn hoofd hangen. Hij kijkt naar beneden,
want zijn rug doet erg pijn als hij maar steeds omhoog moet kijken. Petrus ziet hem daar zitten, een man van een jaar of
veertig, helemaal kromgegroeid.
''t Is echt een stumper.' denkt hij, 'Maar
in Gods naam kunnen we hem helpen...'
'Kijk me eens aan, vriend.' zegt hij.
Joram denkt dat hij geld krijgt. Zijn ogen gaan naar de
handen van de discipelen en dan naar Petrus' gezicht.
'Nee,' zegt Petrus, ''t Gaat
nu even niet om geld. Dat hebben wij ook niet. Maar in de naam van Jezus, ga
lopen!'
Hij grijpt Joram bij de hand en helpt hem overeind.
Joram voelt zijn enkels stevig worden. Hij staat op, wankelt even en... begint zowaar
te lopen. Heel voorzichtig!
Het gaat steeds beter. Hij maakt een sprongetje, nog één
en nog één...
'Halleluja!'
Er komen mensen om hen heen staan, steeds meer. Degenen
die achteraan staan rekken zich op de tenen om ook iets te zien. Kleine
kinderen wringen zich tussen de benen van de grote mensen door.
Als Moshe en Jacov horen dat hun vriend genezen is, gaan ze natuurlijk
snel op zoek naar hem. Ze vinden hem in de Zuilengang van Salomo.
'Ik ben genezen!' schreeuwt Joram
Hij huppelt en springt om het hen te tonen.
'Hoe?' vragen ze verbaasd.
'Dat hebben zij gedaan!' wijst Joram.
Petrus schudt heftig
van nee. Laten ze nou alsjeblieft niet denken dat zij dat kunnen.
'Wij niet. Jezus!' verklaart hij lachend.
Dit wordt de kans van de week om over de Heer te
vertellen. Over zijn dood en opstanding uit de dood. Over het plan van God met
de wereld. Hier en daar klinkt boos gemompel. Dat komt vooral van de
wetgeleerden. Die willen niet dat er zoveel over Jezus wordt gesproken. Ze
zouden het liefst die gehate discipelen in de gevangenis zetten. Maar anderen
luisteren aandachtig en gaan in Jezus geloven. Het is al pikkedonker als Joram
en zijn vrienden naar huis gaan.
'Wat een dag!' zegt Joram,
'Nooit hoef ik meer te bedelen buiten de Tempel. Ik hoor er nu ook bij!'
'Joram!' Moshe slaat hem
vriendschappelijk op de schouder, 'Man, jij hebt vandaag echt mazzel gehad!'
Daar zijn ze het alledrie roerend mee eens.