ER WORDT WEER GELACHEN IN
JERICHO
'Hahaha! Hoehoe!
Hahahaaa!'
In het grote koopmanshuis bij de poort van Jericho wordt vreselijk gelachen. Ver in de omtrek is het te
horen. Het dringt door in de huizen van de inwoners van de stad. Ook de
straatarme bedelaars in hun krotterige optrekjes
buiten de poort kunnen het horen. En ze kijken verbitterd. Ze persen hun lippen
stijf op elkaar en hun ogen worden koud als glas. 'Die tollenaars zijn weer aan
het feesten!' sissen ze boos. 'Van ons geld! Die vuile Romeinenvriendjes... Ze
stelen van hun eigen volk.'
'Mensen, luister! Ja! Mag ik even stilte, alsjeblieft!'
Zacheüs, de
oppertollenaar, een kleine dikke man met doordringende bruine ogen, tikt
verwoed met zijn mes tegen zijn beker. Gelijk is het stil. Want hoe ruw en
gemeen de tollenaars ook zijn, voor hun baas hebben ze heilig ontzag. O, hij is
wel de sluwste van hen allemaal. Hij kan je zo venijnig de mantel uitvegen. Zacheüs legt in het kort de nieuwe plannen van de Romeinse
overheid uit. Op wol, ijzer en koper wordt voortaan meer belasting geheven.
'Als jullie er niet uitkomen, kom je maar naar mijn kantoor. Daar heb ik de
lijsten klaarhangen.' besluit hij.
'Baas, hoe zit het met onze eigen winsten?' schreeuwt Jabes een domme reus van een kerel. De anderen grommen
instemmend.
'Dat zoeken jullie zelf maar uit.' zegt Zacheüs kortaf. 'Maar maak het niet te bont, anders wordt
je vergunning ingetrokken.'
Als diep in de nacht het feest ten einde is en alle
gasten veelal stomdronken, verdwenen zijn, zit er nog
een eenzame man in de feestzaal. O, niemand weet het, maar Zacheüs
baalt zo vreselijk van dit leven. Moet je nou eens kijken wat een chaos. Is dit
nou de welvaart waar hij naar verlangd heeft? Wijnvlekken op het kleed,
ingetrapte voedselresten, uitgespuugde pitten, gebroken wijnbekers... 'Waar ben
ik toch mee bezig?' zucht Zacheüs terwijl hij zijn
hoofd in de handen laat rusten.
'Gelukkig ben je als je niet wandelt in de raad van de
goddeloze, als je niet staat op de weg van de zondaars, en ook niet zit in de
kring van de spotters...' 't Zijn woorden uit de
psalmen, die hij als kind op school leerde, die zo maar bij hem boven komen.
'O, mijn God,' zucht Zacheüs, 'Hoe kom ik hier ooit uit? De mensen haten me en
ze hebben nog gelijk ook... Een roverhoofdman, dat ben ik.'
Snikkend valt hij op zijn knieën, dat eenzame mannetje.
Het is een tijdje later. 'Klipklapklipklap,
slifslif...'
Wat hollen er toch ineens veel mensen de poort uit. Is
er ergens een vechtpartij, een ruzie? Zacheüs, in
zijn kantoortje wil er het zijne van weten. Hij sloft
naar buiten, maar wordt gelijk van de sokken gelopen door een stel knullen, die schreeuwen dat Jezus van Nazaret
eraan komt.
'Jezus van Nazaret?'
denkt Zacheüs, 'O, wacht eens, dat is die man waarvan
men zegt dat Hij de Messias is. Die rabbi die de mensen leert en onderwijst
over God. ZOU DIE JEZUS HEM MISSCHIEN... Resoluut sluit hij z'n
kantoor af om de mensen achterna te gaan.
Verdraaid lastig is het als je zo klein bent. Zacheüs probeert een glimp van Jezus op te vangen, maar
steeds is er weer een brede rug, een uitwaaiende hoofddoek die hem het uitzicht
benemen. Met beide ellebogen duwt hij links en rechts de mensen opzij. Hij moet
en zal Jezus zien.
'Hé, ken je niet een beetje uitkijken!' schreeuwt een
kattige magere visvrouw kwaad. Ze draait zich om. Haar mand met vis wiebelt op
haar hoofd.
'Kijk es an, daar hebbie die oppertollenaar!' spot ze, ' Meneer wil d'r effe door!'
Een woedend gemompel stijgt op uit het publiek. Ai! Nu
is de kans om nog iets te zien verkeken. Met een gescheurde jas, nagejouwd door
de mensen, sjokt Zacheüs terug naar de stad. Och, en
hij had Jezus zo graag horen spreken... Dom van hem om zich zo tussen het volk
te begeven. Hij had Jabes
mee moeten nemen, die bodybuilder. Daar zouden ze wel ontzag voor gehad hebben.
Zacheüs passeert een kromme oude vijgenboom. Ineens
krijgt hij een grandioos idee...
De groep mensen, Jezus aan het hoofd, nadert Jericho. Van alle kanten dringen de mensen op Hem aan.
Sommigen willen Hem aanraken. De discipelen hebben er hun handen vol aan om de
weg vrij te maken. Plotseling houdt Jezus stil onder een vijgenboom en kijkt
omhoog. Achter de dichte bladerdos, goed verscholen,
zit... de oppertollenaar Zacheüs. Jezus
ziet zijn betraande ogen en gezwollen lip. 't Is niet moeilijk te raden wat er
gebeurd is. Zacheüs kreeg zijn verdiende loon. Maar
Jezus ziet ook de wanhoop, de hunkering naar God in zijn ogen en dus zegt Hij
luid, zodat iedereen het hoort: 'Zacheüs, kom eruit!
Ik wil vandaag in jouw huis zijn.'
Van schrik valt Zacheüs als
een rijpe vijg uit de boom. Jezus, de Messias, in zijn huis??
Moet je al die mensen zien loeren door de ramen van Zacheüs' huis. Nieuwsgierig duwen ze elkaar opzij en geven
minachtend hun commentaar. 'Kijk toch! Rabbi Jezus gaat zo maar bij een
tollenaar dineren! Tss!' Door de open ramen kan men
binnen woordelijk verstaan wat er buiten wordt gezegd. Als Zacheüs
even de kamer uit is, vragen de discipelen dan ook aan Jezus wat ze terug
zullen zeggen.
'Laat ze maar praten,' zegt deze. 'Ze hebben nog steeds
niet door dat Ik juist op aarde ben gekomen om verloren mensen zoals Zacheüs weer bij God terug te brengen.'
En hoe doet Jezus dat dan? Met standjes en verwijten? Nee hoor!
Zijn woorden blijven vriendelijk, zijn stem blijft zacht. Maar juist hierdoor
gaat Zacheüs inzien wat er moet veranderen in zijn
leven. Na de maaltijd laat hij een knecht z'n geldkist
halen en geeft hem aan Jezus.
'Alstublieft, Meester,' zegt hij schor. 'Hier is de
helft van mijn geld. U mag het aan de armen geven. En de rest zal ik ook in
orde maken. Als ik iets van iemand heb afgeperst, zal ik vier keer zoveel
teruggeven.'
Weer wordt er gelachen in het huis van de
Oppertollenaar. Maar wat een verschil! Nu zullen al gauw ook de arme mensen in
hun krotten meelachen en veel mensen uit de stad.