Door Josine de Jong
Pfam! Pats! en Pangg!
De oude Abraham is hout aan het
hakken. Hij kan het best door een knecht laten doen, maar hij wil zich gewoon
even laten gaan.
'Het kan niet anders!' mompelt
hij, terwijl hij een flinke hengst op het houtblok geeft. '... Onmogelijk!!'
Hij draait het hout een kwartslag
en geeft met de bijl een enorme klap. Het hout splijt in tweeën. Als er hout
genoeg is gaat hij de ezel zadelen. Aan zijn riem bungelt een groot mes. Gaat
Abraham op reis? En waarom is hij zo van streek? Luister, God heeft hem een
gisteren een vreselijk moeilijke opdracht gegeven.
Abraham lag in bed nog wat na te
genieten van de dag. Met zijn handen onder zijn hoofd dacht hij aan de leuke
dingen die hij die dag met Isaak had beleefd.
'Here God!' fluistert hij. 'Wat ben
ik toch gelukkig... Vandaag met die jonge kameel...'
Ja, Abraham vertelt alles aan God.
God is immers zijn beste vriend... En de Here
begrijpt hem. Hij is zelf ook een Vader. Maar misschien vindt Hij het nu tijd
worden om Abraham iets belangrijks te leren, want Hij zegt: 'Geef Mij je enige
zoon Isaak en offer hem als een brandoffer op één van
de bergen van het land Moria, die Ik je zal wijzen.'
Wat? Abraham gaat rechtovereind
zitten. Hij krijgt er kippenvel van. Moet hij zijn zoon offeren?? Dit moet een vergissing zijn.
Denken en nog eens denken. Opnieuw
van voren af aan beginnen met denken. Piekeren, twijfelen, woorden van vroeger
herinneren...
'Het kan niet anders!' zegt Abraham dan tenslotte tegen zichzelf, 'De Belofte zal
met Isaak verder gaan... Er blijft dus niks
anders over dan te geloven dat hij zal LEVEN!....
Misschien maakt God hem wel weer levend. Tuurlijk, zo
zal het zeker gaan!!'
Abraham vertrouwt God voor honderd
procent...
'Isaak,
opstaan. We gaan offeren.' roept Abraham.
Nee, hij kan de jongen niet alles
vertellen. En Sara ook niet. Ze zal hem willen tegenhouden. Het is beter om
haar na afloop alles uit te leggen, als hij weer met de jongen terugkomt.
'Hebben jullie brood bij je en
genoeg water voor onderweg?' roept hij naar de twee knechten die meegaan. Isaak loopt te springen van opwinding. Hij vindt het
allemaal een groot avontuur.
'Och, jongen, je moest eens
weten.' denkt Abraham. Als hij niet honderd procent zeker was van Gods
belofte...
'Vort, grauwtje, vort!' Met een
takje spoort hij de ezel aan.
Een leuke tocht wordt het niet
bepaald. Op de omgeving ben je gauw uitgekeken. Na elke heuvel komt weer een
volgende. En Abraham is erg zwijgzaam. Het grootste deel van de dag zit Isaak wat te dommelen op de ezel. Eindelijk, na drie dagen
zien ze de bergen van het land Moria.
'Daar, op die ronde top, gaan we
offeren.' wijst Abraham. Hij geeft de knechten opdracht om met de ezel en de
bagage te blijven wachten.
'Als we hebben gebeden komen we
hier weer bij jullie terug.' zegt hij, meer tegen zichzelf dan tegen de
knechten. Met een zwaai legt hij de bos brandhout op Isaaks
rug en neemt het vuur over...
Bij het beklimmen van een berg,
heb je echt alle aandacht nodig om je voeten op een goed plekje neer te zetten.
Rollende stenen, onverwachte kuilen... Abraham hijgt omdat hij oud is en Isaak omdat zijn last zo zwaar is. Plotseling dringt het
tot hem door dat ze nog iets missen.
'Vader,' puft hij, 'U hebt vuur en
hier is het hout, maar waar is het lam, dat we gaan offeren?'
Daar heb je het al. Wat moet
Abraham nou zeggen?
'De Here
zal zelf ervoor zorgen dat er een lam is voor het brandoffer, kind!'
Het is eruit voordat hij erover heeft
nagedacht. Gelukkig! Isaak glimlacht en klimt weer
verder. Vermoedt hij iets?
Plok, klap, kleun!
Elk altaar wordt gebouwd van grote
stenen. Maar vandaag weegt iedere steen voor Abraham wel honderd pond. Als in
een droom schikt hij het hout erop en dan... Het grote moment!
'Isaak,
mijn zoon!... God wil jou!...'
Isaak schrikt
niet. Hij had het al begrepen. Maar hij heeft ook nagedacht. Is hij niet het
kind van Gods Belofte? Hoe zal hij tot een groot volk worden als hij moet
sterven?
'Hier ben ik, vader!'
Het touw glijdt om zijn armen, hij
wordt opgetild. Een paar tellen later flikkert het mes
boven zijn hoofd...
'ABRAHAM, ABRAHAM!'
Net op tijd. Een stem uit de
hemel...
'Ja, Here,'
Abraham laat het mes zakken.
'Doodt de jongen niet, want nu
weet ik dat je van Mij houdt en je enige zoon aan Mij wilde geven!'
Langzaam dringt het tot Abraham
door. Hij hoeft Isaak niet te offeren! God weet dat
hij van Hem houdt... Zijn armen ontspannen zich. Snel wordt het touw
doorgesneden en Isaak bevrijd.
'Mijn kind, mijn lieve kind! Isaak!!'
Rits, krak, mèhèmè!
In de struiken vlakbij worstelt
een prachtige ram. Hoe kon hij zo stom zijn om met de horens in de takken vast
te raken... Maar voor Abraham en Isaak is hij een
geschenk uit de hemel.
God heeft inderdaad zelf voor een
offerdier gezorgd!
Op die berg Moria
vieren ze feest met God: Abraham en Isaak. Met de
rook stijgt ook de dankbaarheid omhoog.
'Omdat je dit hebt gedaan,
Abraham, zal ik je tot een groot volk maken en alle mensen van de wereld zullen
door jou gezegend worden.' spreekt de Here.
O, het was een moeilijke opdracht. Maar het moeilijkste moet nog komen. Als God zelf zijn enige lieve zoon als een offer aan de wereld zal geven. Maar daar hebben Abraham en Isaak nog geen weet van. Dat komt tweeduizend jaar later pas