Lezen uit de bijbel     week 36  

 

Genesis 22:1-9

 

Enige tijd later stelde God Abraham op de proef.

‘Abraham!’ zei hij.

‘Ik luister,’ antwoordde Abraham.

‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’

De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. Toen zei hij tegen de knechten: ‘Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’

Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder.

‘Vader,’ zei Isaak.

‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham.

‘We hebben vuur en hout,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’

Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’

En samen gingen zij verder.

 

Verklaring:

Moria is de plaats waar Jezus werd gekruisigd.

Wat Abraham niet hoefde te doen, deed God wel. Hij gaf zijn zoon als offer voor onze zonden.