Door Josine de Jong
'Pa, pa! D'r
komt een hele karavaan mensen en vee aan. Ze willen over ons land, pa. Kom
gauw!'
Een kleine, bruine jongen rent haast
struikelend naar de plaats waar zijn vader een jonge ezel aan het africhten is.
'Pa, kom dan toch!'
Boes, zijn vader, laat zijn werk
in de steek en loopt met grote stappen de karavaan tegemoet. Een vriendelijke
glimlach van de leider overtuigt hem echter van de vreedzame bedoelingen van de
groep. 'Mogen wij over uw land gaan en van uw waterput gebruik maken?' vraagt
de man, die gekleed is in een kleurig geweven kleed uit Haran.
'Wij zullen er u royaal voor betalen.'
'Natuurlijk, geachte sjeik,'
antwoordt vader Boes buigend, 'Wij zullen het als een grote eer beschouwen.'
Zijn rechterhand maakt een
uitnodigend gebaar. En van deze gastvrijheid krijgt Boes geen spijt. God zegent
hem en zijn gezin om wat hij voor Abram doet.
'Ga je weg! Je zet geen poot op m'
n land, hoor je wel!'
Niet overal waar de sjeik met zijn
mensen en vee komt, is men even vriendelijk. O nee! Soms
bekogelt men hem met stenen of bedreigt men hem met stokken. Maar
wonderlijk genoeg, loopt het op de één of andere manier slecht af met die
mensen. Armoede treft hen, het vee wordt ziek en het land brengt weinig op.
Wie is toch die sjeik, waar komt
hij vandaan? En... waarheen is hij op weg? Het is Abram,
een herdersvorst uit Mesopotamië, die met zijn vrouw
Sara, zijn neef Lot, veel knechten en vee op weg is naar een onbekend land. Hij
heeft niet altijd in tenten gewoond. O, nee. Zijn familie bezat een prachtig
huis in Ur. Maar nu is hij een rondtrekkende herder
geworden. Dat komt zo.
'Hè, hè!' Met een plof zakt Abram, de tweede zoon van Terach
in de kussens. De gasten van deze avond zijn verdwenen. Knechten lopen af en
aan om de resten van het feest op te ruimen.
'Fft!
Wat een leeg gedoe,' denkt Abram, terwijl hij zijn
handen achter z'n hoofd vouwt. 'Die lui praatten
alleen maar over rijk zijn, dingen kopen en wie er nou eigenlijk belangrijk
is.'
Ach, Abram
zou zo graag eens willen praten over zaken waar hij echt mee zit. Zoals:
'Waarom leef ik eigenlijk.'
Plotseling: Pats! Met een klap
valt een groot godenbeeld van een lage tafel. Verbaasd kijkt Abram rond. Wie deed dat? De andere godenbeelden kijken hem
star aan, alsof ze willen zeggen: 'Houd ons erbuiten.'
Abram staat op
en bekijkt de stukken. Met een beetje lijm kan alles nog wel weer gerepareerd
worden. Maar een God repareren? Is een kapotte god nog wel machtig?
'Wat doe je, Abram?'
Vader Terach
staat in de deuropening. Hij ziet wat er gebeurd is.
'Pa, hij viel vanzelf. Zal ik
hem...'
Terach
onderbreekt zijn zoon met een glimlach.
'Och, laat maar. Gooi maar weg. En
neem die andere beelden ook mee... Heel toevallig had ik vanavond juist een
gesprek over iets dat me al een hele tijd bezig houdt. Die godenbeelden bedoel
ik. Wat is het toch eigenlijk dom om daarvoor te bidden. Het zijn gewoon niksen.'
Abram is
opgelucht dat vader er zo over denkt, hoewel hij zich toch afvraagt wat hun
vrienden en familie ervan zullen zeggen als ze merken dat de beelden weg zijn.
Vanaf die tijd zoeken Terach en Abram
de Here, de Schepper van hemel en aarde.
En de Heer is blij met Abram. Op een dag spreekt Hij tot hem: 'Abram,
ga uit je land en bij je familie vandaan. Ga naar het land, dat Ik je wijzen
zal. Ik zal je tot een groot volk maken en je zegenen. Ik zal jouw naam bekend
maken. Iedereen die goed voor jou is, zal ik zegenen en iedereen die jou
verwenst, zal Ik vervloeken. EN MET JOU ZULLEN ALLE
GESLACHTEN OP DE AARDE GEZEGEND WORDEN.'
Toch moest er eerst nog een ramp
gebeuren voordat Terach en Abram
zo ver kwamen dat ze op reis gingen. En die grote klap was... dat Haran stierf, Abram's jongere
broer. Het was een hele uittocht toen Terach, Abram en zijn jonge vrouw Sara, Nahor
en diens vrouw Milka, plus Lot, de zoon van Haran, op weg gingen langs de rivier naar het noorden.
Eigenlijk kon Terach
nooit de dood van Haran verwerken. Toen ze na maanden
aankwamen in een kleine plaats in Mesopothamië noemde
hij die stad naar zijn overleden zoon, Haran. Ja, Terach werd oud, heel oud en triest. Altijd had hij het
over vroeger en over Haran, zijn zoon. Zodoende bleef
de groep hangen in Haran, langer dan de bedoeling was
geweest. Wéér moest God zelf ingrijpen, om hem uit
deze samenleving, waar de maangodin werd aanbeden, weg te lokken. Terach stierf en werd begraven.
'Abram,'
klonk opnieuw Gods stem, 'ga uit je land naar het land dat ik je wijzen zal.'
Ze vertrokken, Abram,
Sara en Lot met veel vee. Ook veel vrienden gingen mee, mensen waarmee Abram over de Here God had gesproken en die er ook bij wilden horen.
Alleen Nahor bleef. Hij had het best naar zijn zin in
Haran.
Zuidwest van de ene groene weide
naar de andere trokken ze. Een echt doel had Abram
niet. Hij liet zich leiden door de gedachten van God. Overal waar hij kwam liet
hij een spoor van vriendelijkheid achter, van eerlijkheid en liefde voor God.
Ja, de Here
en Abram waren vrienden geworden. Ze praten met elkaar
over van alles. Bij Sichem gekomen, onder een oude
boom, gaf de Here Abram
zelfs een cadeau. Een hartstikke mooie belofte.
'Abram,
dit land is nu van de Kanaänieten, maar eens zal het
voor jou zijn en voor je nageslacht.'
Wat was Abram
blij. Hij keek rond en voelde zich zo gelukkig. Met behulp van knechten en Lot
bouwde hij uit dankbaarheid een groot altaar en offerde zijn beste stier erop.
Het altaar bleef daar staan, lang nadat de karavaan was verder getrokken.
Vanaf die dag kwamen er steeds
meer altaren. Bij Betel en verder naar het zuiden. Zo werden de Kanaänieten eraan herinnerd, dat er een levende God is, die
hen wil zegenen.
Steeds vaker hoorde je: 'Ah, sjeik
Abram! Wat een eer, dat u gebruik wil maken van ons
land en ons water. Bij ons bent u welkom!'