Lezen uit de bijbel week 31
De HEER
zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je
familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je
zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle
volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
Abram
ging uit Charan weg, zoals de HEER
hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle
bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän.
Verklaring:
Abraham was
al eerder weggetrokken uit Ur met zijn vader mee,
maar die was blijven steken in Charan. Nu komt zijn
persoonlijke roeping.
verwanten,
dat zijn
familieleden