Lezen uit de Bijbel week 28
Daniël
6: 1 – 7
Darius de
Mediër verkreeg het koningschap; hij was toen
tweeënzestig jaar.
Darius
ging ertoe over honderdtwintig satrapen over
het gehele koninkrijk aan te stellen. Boven hen stelde hij
drie rijksbestuurders aan, van wie Daniël er een was; aan hen moesten de
satrapen rekenschap afleggen, opdat de koning geen schade zou lijden.
Daniël nu onderscheidde zich van de rijksbestuurders en satrapen door zijn buitengewone begaafdheid. De koning overwoog zelfs hem over het hele koninkrijk aan te stellen. Daarom probeerden de rijksbestuurders en satrapen in Daniëls bewind iets te vinden om hem voor aan te klagen, maar zij konden geen grond voor een aanklacht vinden of hem op een misstap betrappen, want hij was betrouwbaar en hij had nooit zijn plicht verzuimd of een misstap begaan. Toen zeiden die mannen: ‘Met geen mogelijkheid zullen wij deze Daniël kunnen aanklagen, tenzij we iets zoeken dat verband houdt met de wet van zijn God.’
Verklaring:
de Mediër:
Babylonië
was bezet door de Meden en de Perzen.
Satrapen:
Dat zijn
een soort stadhouders.