IN HET VUUR VOOR GOD
Door Josine
de Jong
Het was nog heel vroeg in de morgen.
Op het dak van het koninklijke paleis stond Nebukadnessar.
Hij bad met opgeheven handen en open
ogen tot de opkomende zon. Vandaag kon hij zijn gedachten niet houden bij de
voorgeschreven woorden. Een geweldig gevoel van trots kwam in zijn ziel.
Daarginds, in de vlakte van Dura, omringd door de
schitterende kleuren van het morgenrood, stond zijn beeld als een donker
silhouet. Het was net alsof hij de godheid zelf was, die neerdaalde naar de
aarde. Nebukadnessar beëindigde zijn gebed. Bedienden
schoten toe. De dag was begonnen, zijn gloriedag. Alle goden in hemel en op
aarde en alle regeerders zouden hem de eer geven.
Ook de drie vrienden van Daniël, Sadrak, Mesak en Abednego waren vroeg opgestaan. Ze werden immers verwacht
op het inwijdingsfeest van het Gouden Beeld. Ze baden niet tot de zon. Ze
hadden God geloofd met een psalm, voordat ze op weg gingen.
Het werd een warme dag. Er woei een
zuidoostenwind die veel fijn zand meebracht, dat in neus en keel ging zitten.
Je zag kameeldrijvers, ruiters en draagkoetsen. Je hoorde allerlei dialecten en
je rook allerlei geuren. Etensgeuren vermengden zich met de geur van
kamelenmest, zweet en stank van bedelaars. Soms danste er een vleugje parfum
doorheen als een rijke dame met haar gevolg langskwam. En hoe dichter de drie
vrienden bij het gouden beeld kwamen, hoe drukker het werd. Ze konden nog maar
nauwelijks een plekje vinden waar ze de paarden bij de bedienden konden
achterlaten. Te voet ging het verder. Ze werden verwelkomd door het
ontvangstcomité. Zodra ze opgeroepen werden, gingen ze de koning begroeten. Hij
was in een opperbeste stemming en wist nog precies wie ze waren, dat ze
aangesteld waren over het gewest Babel. Dan werden ze opgeslokt door de menigte
genodigden, die zich om het beeld verzamelden.
Precies op de aangegeven tijd werden
de bazuinen geblazen en een heraut maakte bekend dat een ieder het gouden beeld
moest aanbidden als de muziek ging spelen.
'Ieder, die niet met z'n neus op de grond de koning aanbidt, zal meteen in het
vuur geworpen worden.' klonk het bevel.
De drie vrienden hoorden het en
voelden het bloed uit hun gezicht wegtrekken. Onwillekeurig deden ze een stapje
dichter naar elkaar toe. Mesak fluisterde: 'Hier doen
we niet aan mee, vrienden.'
De muziek begon. Een vreselijk
lawaai van door elkaar heen schreeuwende mensen weerklonk, alsof de hel
losbrak.
'God, sta ons bij,' bad Sadrak zachtjes...
Het viel wel op dat ze bleven staan,
zo midden tussen de knielende mensen. Een paar mannen gingen het dan ook meteen
aan de koning vertellen.
Die gaf opdracht hen te halen. Eerst
was hij nog toegeeflijk. Hij wilde hen nog een kans geven om te buigen. Maar
toen hij merkte dat ze vastbesloten waren, werd zijn eerst zo vriendelijke
gezicht gemeen en grimmig.
Hij brulde: 'Wie is de God, die u
uit mijn hand zou kunnen bevrijden?'
De drie vrienden voelden hun knieën
knikken. Toch zeiden ze moedig: 'Als onze God ons wil redden, dan zal Hij dat
doen, maar zo niet,... dan zeggen we u nu al vast, dat
wij uw goden toch nooit zullen vereren. We zullen het gouden beeld niet
aanbidden.'
Nebukadnessar trok wit weg... Hij beval de oven
zevenmaal heter te stoken. Soldaten gooiden ruwe olie boven in het gat. De
vlammen sloegen wild naar buiten. Een zwarte rook steeg op naar de hemel.
Met touwen vastgebonden werden Sadrak, Mesak en Abednego met kleren en al in het vuur geworpen. Degene die
dat deden vielen zelf dood neer van de hitte.
Nebukadnessar keek onbewogen
toe. De god Nergal, van het Dodenrijk en het Verterend Vuur stond
immers aan zijn kant.
Maar God liet zien dat Hij de
vrienden kon bevrijden uit het vuur. Hij liet hen niet alleen. Zelfs de koning
zag dat. Verschrikt stond hij op.
'We hebben toch drie mannen erin
gegooid?' riep hij. 'Ik zie er nu vier lopen. En hen mankeert niets! Die vierde
lijkt wel... op een engel!'
Hij liep naar de deur van de oven en
riep vol ontzag: 'Sadrak, Mesak
en Abednego, knechten van de Allerhoogste God, kom
naar buiten!'
Tot ieders stomme verbazing kwamen
ze naar buiten. Van alle kanten werden ze betast. Hun haar was niet geschroeid
en op hun mantels zat geen vlekje. Er was zelfs geen brandlucht aan hen te
ruiken....
'Geloofd
zij de God van Sadrak, Mesak
en Abednego!' zei de koning. 'Er is geen God die zo
verlossen kan.'
Hij geeft het bevel dat niemand
oneerbiedig over God mag spreken, anders zal die persoon in stukken gehakt en
zijn huis tot een puinhoop gemaakt worden...
Hoe zouden de drie vrienden
thuisgekomen zijn? Stonden er drommen mensen aan de kant van de weg? Iedereen
wilde hen natuurlijk zien. Van één ding kunnen we zeker zijn: ze hebben die
avond de Heer gedankt.
Als de zon ondergaat staat er een
eenzame man op het dak van het koninklijke paleis. Het is Nebukadnessar.
Hij kijkt naar het oosten. De ondergaande zon werpt de laatste stralen op zijn
beeld, daar in de vlakte van Dura. Het lijkt nu wel
een nieuwe ster, maar dat duurt maar even. Duizenden kleine sterren gaan
schijnen. Duizenden goden? Of is er maar één, zoals de Judeeërs
zeggen?
Deze dag was anders gelopen dan hij
had gedacht. Niet hij was de machtigste, de allerhoogste. Er was een God,
groter en machtiger dan alle goden. Het gouden beeld zou hem er altijd aan
herinneren.