OT 81 ‘Dat eet ik niet!’ zegt Daniël
Door Josine de Jong
‘Wat eten
we, mam? Bah! Dat lust ik niet. Dat eet ik echt niet
op, hoor!’
Het is een
terugkerende kreet in veel gezinnen. Vader denkt meteen aan de arme kinderen in
Afrika en moeder sust: ‘Je hoeft maar een klein beetje te eten, dan wen je wel
aan de smaak.’
En dan
wordt er gedankt voor het eten. Gek eigenlijk, hè? Wat zou God daar wel van
denken?
In de
bijbel staat ook een verhaal van jongens die het hun voorgezette eten niet
wilden opeten, maar dat had wel een andere reden.
‘Majesteit,
de Joden zijn aangekomen.’ zegt de legeraanvoerder tegen koning Nebucadnessar.
Ja, dat had
de koning zelf ook al gezien. Vanaf het dak van zijn paleis bekijkt hij de
lange stoet Joden die de Istjarpoort binnenkomen.
‘Is er genoeg onderdak voor hen geregeld?’ vraagt de koning terwijl hij
zich vooroverbuigt over de balustrade om beter te kunnen zien wat voor volk
zijn hoofdstad binnenstroomt. Het is geen zootje ongeregeld, maar dat wist hij al omdat
hijzelf de troepen aanvoerde die Jeruzalem innamen. Ondanks de afmattende
voetreis die de ballingen achter de rug hebben kun je goed zien dat er
structuur in zit. Voorop lopen mannen in witte klederen, dat zullen wel
priesters zijn… Mannen met baarden en vrouwen met wat duurdere kleding er
achter… de leiders van het volk. Dan een grote groep jeugd, goed gekleed,
hoewel stoffig en vuil van de lange reis… En in de staart van de colonne de
boeren, handwerkslieden en handelaars met karren vol spullen en veel kinderen.
De wagens met tempelschatten uit Jeruzalem zijn al doorgereden naar de tempel
van Marduk. De gouden en zilveren voorwerpen zullen
worden gelost bij de schatkamers. Ja, koning Nebucadnessar
kan trots zijn op zijn overwinning
‘Dat zijn
prinsen, majesteit,… die jongelui bedoel ik. Echte stuudjes.
Ze kunnen lezen en schrijven als de besten, ze hebben goede manieren en zijn
uiterst betrouwbaar. Waarschijnlijk kunt u ze inschakelen als adviseurs of
administrateurs, na wat omscholing natuurlijk.’ voegt hij er lachend aan toe.
De koning
knikt nadenkend. Ja, het was een goed idee van hem om met zijn leger Jeruzalem
in te nemen en alle inwoners naar Babylon te brengen.
Zo’n grote groep werknemers kan hij goed gebruiken.
‘Kin
omhoog, jongens,’ roept Daniël, een knappe Joodse prins, die merkt dat de
ballingen veel bekijks oogsten. ‘Laat zien dat we nog eigenwaarde hebben!’
Ondanks de
pijnlijke voeten en de brandende dorst rechten de prinsen hun rug na de
aanmoediging van Daniël. Hij heeft gelijk, ze zijn niet zomaar gevangenen, ze
zijn ondanks alles toch het volk van God. Het is verschrikkelijk wat ze
meegemaakt hebben. Hun tempel, de hele stad, de paleizen, alles is vernietigd
door de Babyloniërs. Ontelbare lijken hebben ze op
straat zien liggen, sommige van hun eigen familie. En het ergste is, het is hun
verdiende loon, want Israël wilde niet luisteren naar God. De profeet Jesaja heeft ze vaak genoeg gewaarschuwd.
Maar het is
wel moeilijk om je neus in de lucht te houden als je mond openvalt van verbazing.
Wat een muren, meer dan twintig meter hoog en die met godenafbeeldingen
versierde poort in blauwe mozaïek! Wat een stad! Dit
is nu echt het machtige Babel waar iedereen bang voor is. Hierbij vergeleken is
Jeruzalem maar een plattelandsstadje. Moet je die paleisburcht zien op die
heuvel, met zijn marmeren zuilen en de overhangende tuinen bovenop de
terrassen. Hoe kunnen daar bomen en struiken groeien? Waar halen ze het water
vandaan in dit hete klimaat?
‘Eén van de
zeven wereldwonderen,’ zegt Misaël, die er veel van
afweet. ‘En daar die piramide met platte top… dat is
een Ziggurat, een tempeltoren dus. Er staat over
geschreven in het eerste boek van Mozes.’
‘Dan moet
dat enorme bouwwerk de tempel van Marduk zijn, waar
we zoveel over hebben gehoord.’ fluistert Chananja,
‘Koning Nebucadnessar heeft die tempel helemaal laten
restaureren, vertelde mijn vader…’
Meteen
draait hij zijn hoofd opzij, als hij denkt aan zijn lieve vader die hem nooit
meer zal kunnen bijstaan, omdat hij sneuvelde in de strijd. Door zijn tranen
kan hij de schepen op de rivier niet goed onderscheiden. Het zijn er
tientallen. Hier en daar zitten mensen op de oevers te picknicken. Zijn ze
gelukkig met hun zonnegod?
‘Wij kennen
de enige ware God, Chananja. Hij is verheven boven alle
goden,’ Daniël, die begrijpt waar zijn vriend mee worstelt, raakt tijdens het
lopen even zijn hand aan. Gelukkig zien de soldaten het niet, anders kreeg hij
beslist een knal met een zweep.
Zwijgend
lopen ze verder, totdat de hele groep stilhoudt op het grote marktplein.
Die avond
slapen ze voor het eerst sinds maanden weer eens in een bed.
‘Aspenaz,’ zegt Nebucadnessar
op een dag tegen de hoofdeunuch, ‘Ik wil je even spreken over die Joodse
ballingen. Onder hen zijn een aantal prinsen en kinderen van hoge komaf met goeie capaciteiten. Ik wil dat je die naar het
paleis haalt. Kneusjes kunnen we niet gebruiken. De jongemannen die je uitkiest
moeten goodlooking zijn, met een flink stel hersens.
Ze moeten aanleg hebben voor astrologie, kunst, politiek of techniek. Zet ze in
een speciale klas en laten onze beste leraars hen
omscholen.’
Aspenaz
vindt het een mooie uitdaging, maar hij heeft nog wat vragen. Hoe lang gaat die
opleiding duren? In wat voor vakken moeten ze getraind worden en door wie?
Moeten de jongens toetsen maken en examen doen aan het eind? Krijgen ze ook
praktijklessen? En wie zorgt er voor voeding en onderdak?
‘Deze zaken
hebben mijn aandacht. Na gedegen overleg met mijn adviseurs zal ik je hierover zo
spoedig mogelijk uitsluitsel geven,’ antwoordt de koning, terwijl hij met zijn
hand wuift dat Aspenaz kan vertrekken. Maar dan schiet hem nog iets te
binnen.
‘O ja,
opperste hoveling, zolang de opleiding duurt zullen ze
van de koninklijke tafels eten. Ik laat een uitgebalanceerd dieet voorschrijven
en ze mogen van mijn wijnen drinken. Goedgevoed, maar ook weer zo dat ze vadsig en lui worden, dan zullen ze zich
het beste ontwikkelen.’
Aspenaz
bedankt de koning met vleiende woorden en schuifelt achteruit de zaal uit.
Nou nou, die jongens boffen maar. Ze krijgen een
luizenleventje. Van de koninklijke wijnen drinken, toe maar. Dat mag hij zelf
geeneens…
‘Gebraden
speenvarken in vijgensaus? Moeten we dat eten? Dat krijg ik echt niet door mijn
keel, hoor!’ fluistert Misaël die door Aspenaz omgedoopt is tot Mesach
als ze voor het eerst in het paleis aan tafel schuiven. Met veel andere jongens
zijn ook Daniël en zijn vrienden uitgekozen voor een opleiding aan het hof.
‘Dat heeft
God ons verboden. Onrein!...’ fluistert Abednego, die
eerst Azarja heette, ontzet. Sadrach
die helemaal vergeet dat Daniël voortaan moet worden aangesproken met Beltesassar, mompelt: ‘Daan, kun jij niet vragen of we wat
anders krijgen? Jij bent de oudste.’
‘Bid voor
me!’ antwoordt Daniël terwijl hij opstaat en naar Aspenaz
loopt. Beleefd buigend, met veel tact en wijsheid
vraagt hij of zij, als Joodse jongeren, misschien alleen groenten, fruit en
water mogen krijgen.
Aspenaz
kijkt hem vriendelijk aan. Hij wil die jongens niet voor het hoofd stoten, maar
als ze straks voor de koning moeten verschijnen en ze zien er slecht uit, dan
kan hij het wel schudden.
Daniël
hoort de aarzeling in zijn stem en daarom stelt hij voor: ‘Alstublieft, tien
dagen uitproberen? Als we er dan bleek en ondervoed uitzien, dan …’
‘Oké,’ zucht Aspenaz opgelucht, blij
dat hij een tussenweg heeft gevonden, ‘Tien dagen op proef. Dat is een goed
idee, Beltesassar!’ Lachend voegt hij er aan toe:
‘Jij wordt nog eens diplomaat, kerel!’
En dat had
hij goed gezien. Doordat Daniël de Here met een
toegewijd hart diende kon God hem later inzetten in de hoogste diplomatieke
kringen.
Tien dagen
aten Daniël en zijn vrienden alleen maar groenten en dronken ze water. En na
verloop van die tijd bleken ze frisser en gezonder te zijn dan alle andere
studenten, die het koninklijke dieet volgden en koninklijke wijn dronken. Dus Aspenaz besloot dat ze ermee door mochten gaan. Als er eten
voor hen werd neergezet nam hij het weg en zette er
groenteschotels voor in de plaats.
En hoe ging
het met de lessen? Konden ze een beetje meekomen? Snapten ze alles? Hadden ze
bijles nodig? Nee hoor!
Aan Chananja, Misaël
en Azarja gaf de Here God
wijsheid, kennis en verstand van allerlei geschriften. Bovendien kon Daniël ook
nog eens visioenen en dromen uitleggen.
Toen na
drie jaar het eindexamen kwam werden ze door de hoofdeunuch voor de koning
geleid. En over welke kwestie van wijsheid of inzicht Nebucadnessar
hen ook raadpleegde, hij vond hen tien keer zo goed als alle magiërs en
bezweerders in heel zijn rijk. Niemand kon zich met hen meten.
Dus
kinderen, de moraal van het verhaal is: eet groenten en drink water, dan krijg
je een tien op je rapport. Haha! Grapje natuurlijk.
De moraal van dit verhaal is… Nou ja, dat kunnen jullie zelf wel bedenken.