OT39 - RUTH VINDT
HAAR VERLOSSER
Door Josine
de Jong
't Is avond in Betlehem.
Troostend streelt het zachte maanlicht over de kleine huisjes,
die dicht tegen elkaar aan schuilen. 't Lijkt wel of het stadje slaapt, net
als de mensen. De wind fluistert door struiken en bomen. 't
Is de tijd dat de kleine veldmuisjes uit hun holletjes komen om van het rijpe
koren te snoepen. En niemand jaagt hen weg, want iedereen is doodmoe van het
oogsten.
Langs het landweggetje, dat zich
bergafwaarts, door de velden heen kronkelt naar de dorsvloer, loopt een jonge
vrouw helemaal alleen. Ze heeft haar beste jurk aan en haar mooiste omslagdoek
om. Zo af en toe kijkt ze onderzoekend om zich heen. Zou niemand haar zien?
'O, Almachtige,' bidt ze half
hardop, 'Laat Boaz mij niet afwijzen, alstublieft,
omdat ik een vreemdelinge ben...'
Huiverig trekt ze haar omslagdoek
wat dichter om zich heen en versnelt haar pas.
Wie is deze vrouw en wat doet ze zo
laat op de avond nog op die landweg? Het is Ruth, de Moabitische
schoondochter van Noömi. Ze is op weg naar de rijkste
boer in de omtrek om hem iets heel belangrijks te vragen. O, als het lukt, dan
krijgen zij en Noömi weer een huis en een toekomst.
Ja, Noömi
en Ruth wonen al weer een paar weken in Betlehem. Ze
hebben hun intrek genomen in het vroegere huisje van Noömi
en Elimelek, dat in al die jaren wel erg bouwvallig
is geworden. Toch is dit niet hun eerste zorg. Het belangrijkste is wel hoe aan
eten te komen. Het land, dat voorheen van Elimelek
was, is immers verkocht. O ja, de eerste dagen brengen buren en familie eten,
maar dat kan natuurlijk niet altijd zo blijven. Ze moeten zelf in hun onderhoud
gaan voorzien. Dat is best moeilijk voor twee vrouwen alleen.
'Moeder,' zegt Ruth flink, 'op dit
moment is het oogsttijd. Laat mij maar gewoon naar het
veld gaan en daar aren oprapen achter de maaiers. Dat doen alle arme mensen.'
Noömi stemt toe en zo loopt Ruth achter
de vrouwen aan naar een veld. Zonder het te weten komt ze op het land van boer Boaz terecht.
'Wie is dat?' vraagt deze aan zijn
arbeiders als hij haar in de gaten krijgt.
'Dat is Ruth, de Moabitische.'
is het antwoord. 'Ze is al vanaf vanmorgen vroeg in de weer, zonder rustpauze.'
Boaz gaat eens een praatje met haar
maken. Van anderen heeft hij al gehoord, dat ze zo goed voor Noömi zorgt en dat ze haar land en volk heeft verlaten om
bij hun God te behoren.
'Zeg, Ruth,' zegt hij hartelijk, ''t
Is prima hoor, dat je op m'n land bent. Ga maar nergens anders naar toe. En als je soms dorst hebt,
dan kun je aan mijn knechten wat water vragen.'
Ruth buigt diep voor hem, zoals het
de gewoonte is als je met een hooggeplaatst iemand spreekt. Ze kan zich haast
niet voorstellen dat Boaz zoveel belang in haar
stelt. Toch is dat zo, want zijn arbeidsters geeft Boaz
stiekem nog opdracht zo af en toe expres wat te laten vallen voor Ruth. Dolblij
komt ze die avond thuis met een zak boordevol gerst. Noömi
klapt in haar handen van blijdschap als ze het hele verhaal van Ruth hoort.
'Nu weet ik zeker, dat God van ons
houdt. Wat zouden Elimelek, Machlon
en Chiljon blij zijn als ze dit wisten. Deze Boaz kan...ONZE VERLOSSER WORDEN! Dat is precies wat we
nodig hebben.'
Ruth trekt haar wenkbrauwen op. Een
verlosser? Wat is dat? Noömi legt het haar uit.
'Kijk, volgens onze wetten en
voorschriften kan Boaz, omdat hij nog een beetje
familie van ons is, ons land voor ons terugkopen en de zorg voor ons op zich
nemen. Zo gaat onze naam voor het nageslacht niet verloren.'
Ruth staat paf. Wat een goede wet.
Zo zal er niemand omkomen in het land. Ze heeft nog een heleboel te vragen over
hoe die verlosser voor hen gaat zorgen. En... weet je wat Noömi
zegt?
'Als Boaz
onze verlosser wordt zal hij met jou moeten trouwen!'
Nou ja zeg! Dat maakt Ruth helemaal
sprakeloos.
Tegen het einde van de gersteoogst
zegt Noömi op een avond:
'Ruth, 't
is echt voor je bestwil. Trek je mooie kleren aan en ga vanavond naar de
dorsvloer. Daar is Boaz ook. Let goed op waar hij
gaat slapen. Zodra alles stil is, ga je aan zijn voeteneind zitten met je
voeten onder zijn deken. Maar... zorg dat niemand je ziet, hoor!'
Met bonzend hart, maar gehoorzaam,
doet Ruth wat Noömi haar zegt.
't Is stil geworden op de dorsvloer.
Het vuur, waarin Boas en zijn knechten het kaf hebben
verbrand, smeult nog een beetje na. Sjonge, wat is hij moe. Urenlang hebben ze
het koren omhoog geworpen met een soort hark, zodat de strootjes en vliesjes weggeblazen werden in de wind. Nu heeft hij een
lekker plekje gevonden achter de korenhoop om te slapen. In z'n
hart is vreugde en dankbaarheid tegenover God, die hem zo'n grote oogst heeft
geschonken. Midden in de nacht echter schrikt hij wakker. Er beweegt iets aan
zijn voeteneind. Iemand trekt aan zijn deken.
'Hé, wie is dat?' roept hij
verstoord. Zijn handen graaien in het rond en ja, daar heeft hij iemand te
pakken.
'Meneer Boaz, ik ben het, Ruth!' klinkt het verlegen. 'Mag ik bij u
schuilen, want u bent mijn losser.'
Ruth? Verbaasd is Boaz, maar ook blij. Komt ze zomaar in de nacht naar hem
toe? Ruth, die vrouw die hij zo bewondert? Als je kijkt hoe ze voor haar
schoonmoeder zorgt! Niet te geloven. En nu vraagt ze hem om haar verlosser te
worden? Tuurlijk wil hij dat.
Maar er is een probleem.
'Ruth,'
aarzelt hij, 'ik wil jullie graag helpen, maar er is een andere verlosser, die
meer rechten heeft dan ik. Maar, weet je wat? Morgenochtend vroeg zal ik met
hem gaan praten.'
En Boaz
houdt woord. Onder toezicht van tien vooraanstaande inwoners van de stad
spreekt hij de volgende ochtend met die andere man. Eerst lijkt deze bereid om
te helpen, maar als blijkt dat hij dan ook met Ruth moet trouwen, bedankt hij
voor de eer. Niks erg. 't Is toch iemand die alleen
maar aan zijn eigen belang denkt. Een paar weken later vindt de bruiloft
plaats. Wat ziet Ruth er stralend uit in die mooie jurk, die ze van Boaz heeft gekregen. Ontroerd veegt Noömi
met haar mouw langs haar ogen. Alles is goed gekomen. Ruth heeft haar verlosser
gevonden.