Door Josine de Jong
Er staat een eenzame oude vrouw op een heuvel in het land Moab. Het is Noömi uit Juda. Ze
is grijs en haar rug is wat gebogen. Met haar hand boven de ogen tuurt ze vol
heimwee in de verte. Een lastige traan welt op in haar ogen.
'Betlehem!' zegt ze zacht, 'Was ik
maar weer in Betlehem.'
Vlak voor haar, op een steen, ligt een hagedisje te zonnen,
maar zij merkt het niet. Een prachtige adelaar zweeft sierlijk het dal in, maar
zij ziet het niet. In gedachten loopt ze over de velden van Juda, gaat ze de
poort van Betlehem binnen. Hoe zou het zijn met al
haar familie en vrienden? Zouden ze haar nog herkennen na tien jaar? En
bovenal: zou er wel koren groeien op het land?
Hoe komt Noömi uit Betlehem hier in Moab, waar men
de god Kamos aanbidt? Waar de mensen onverschillig zijn en spotten met God? Ja,
dat is een lang verhaal. Het begon eigenlijk met die vreselijke hongersnood.
Toen leefde Elimelek, haar man, nog en de twee
jongens Machlon en Kiljon.
O, Noömi herinnert zich alles nog heel goed.
'Vrouw,' zei Elimelek
op een dag, 'Zo gaat het niet langer meer. Als we blijven gaan we dood van de
honger. Ik heb gehoord dat er in Moab nog volop te
eten is. Pak de spullen in, dan vertrekken we vandaag nog.' De jongens vonden
het gelijk prachtig, maar Noömi keek geschrokken. Weg
uit Betlehem? Weg uit hun land?
'Maar Elimelek...' sputterde ze
tegen. 'God heeft ons toch dit land als erfenis gegeven? Hoe kunnen wij dan
naar dat heidense Moab gaan?'
'Vrouw, zwijg!' zei Elimelek prikkelbaar, 'God heeft ons in de steek gelaten,
dat zie je toch als je om je heen kijkt? Nee, we gaan. Mijn besluit staat
vast.'
Met lood in haar schoenen was ze gaan pakken...
Ja, en dan die wekenlange, vermoeiende reis hiernaar toe. De
jongens die steeds maar om eten zeurden. Uitgeput en stoffig waren ze hier
aangekomen. Maar, wat waar is moet gezegd worden, ze werden vriendelijk
ontvangen. Elimelek vond al gauw onderdak en werk en
toen braken er weer gelukkige tijden aan. Totdat... Och, Noömi
wil er eigenlijk niet meer aan terugdenken... Op een broeierige warme dag, net
als nu, hadden de buren Elimelek dood in het veld
gevonden, getroffen door de bliksem.
''t Is vast de straf van God,' zeiden de mensen uit het dorp
onbarmhartig. 'Eerst moesten jullie vluchten voor de hongersnood en nu wordt je
man getroffen door de bliksem.'
O, wat deden die woorden pijn.
Over het bergpad komt een man aanlopen. Hij draagt een groot
pak op zijn rug. Het is een rondtrekkend koopman, die overal zijn spullen
verkoopt. Noömi ziet hem gaan. Ja, zoals die man, zo
voelt ze zich. Het is net of een zware last op haar rug drukt.
Haar twee jongens hadden het verdriet sneller verwerkt dan
zij. Na de dood van Elimelek trouwden ze met Orpa en Ruth, twee meisjes uit Moab.
Voor hen ging het leven gewoon door. Ze ontgonnen een stukje land en begonnen
hun eigen huis te bouwen. Zo zoetjes aan ebde ook Noömi's verdriet weg. Misschien zou ze binnenkort wel
oma worden. Dan zou ze haar kleinkinderen vertellen van de Messias, die eenmaal
geboren zal worden. Wie weet wel uit hun geslacht. Maar nee, het noodlot sloeg
weer toe. Vlak na elkaar stierven haar beide zonen aan een onbekende ziekte.
Sindsdien wist ze het zeker: 'GOD HIELD NIET MEER VAN HAAR.'
'Moeder, bent u hier?'
Een jonge vrouw klautert de heuvel op naar boven. Het is
Ruth. Ze heeft haar schoonmoeder overal gezocht. Hartelijk slaat ze haar arm om
haar heen.
'Wat staat u daar toch? Het waait hier zo. Kom mee naar
beneden. Er is een koopman uit Juda gekomen. Misschien heeft hij nieuws over uw
familie.'
Samen dalen ze de berg af naar het dal. En ja, Ruth heeft
het bij het rechte eind. De koopman heeft inderdaad goed nieuws. Er is weer
volop eten in Betlehem.
'God heeft weer naar zijn volk omgezien, Noömi.'
zegt de koopman.
Deze hoopvolle woorden doen Noömi
besluiten om met beide schoondochters terug te keren naar Juda.
Het is een paar weken later. Daar waar het water van de Wilgenbeek
in de Dode Zee stroomt, staan drie vrouwen. Het zijn Noömi,
Orpa en Ruth. Noömi kust
haar schoondochters vaarwel en zegt: 'Kinderen, bedankt voor alles. Keer nu
maar terug naar je eigen volk en wees gelukkig. Ik zal alleen verder gaan.'
Orpa en Ruth beginnen te huilen. Ze
willen haar niet alleen laten gaan. Ze willen met haar mee naar Betlehem. Maar Noömi is
vastbesloten. Waarom zouden ze bij haar blijven? Zij kan ze niet gelukkig
maken. God is immers niet meer met haar.
Orpa aarzelt. Wat zal
ze doen? Och, het verlangen naar huis, haar familie en haar goden is groot. Zal ze dan toch maar?...
Met de punt van haar rok droogt ze haar tranen af en keert
terug.
'Dag!' zwaait ze nog.
En Ruth?
'Ga jij ook maar.' dringt Noömi
nog eens aan. Maar niks, hoor! Ruth klemt zich stijf
aan haar vast.
'Ik laat u niet in de steek,' zegt ze beslist. 'Waar u
heengaat, daar ga ik ook heen. Waar u gaat slapen, daar ga ik ook slapen. Uw
volk is mijn volk en uw God is mijn God.'
Och, wat mooi! Ja, Ruth heeft goed geluisterd naar Noömi's verhalen over de Here
God. En ze heeft begrepen dat je voor elkaar moet zorgen, zoals God voor ons
zorgt.
Noömi voelt twee warme armen om zich
heen. Zacht strelen Ruths handen over haar grijze
haar. O, ze wordt er echt een beetje blij van.
Toch beseft Noömi nog niet
helemaal wat een geschenk van God die lieve Ruth is. Want als ze weken later
samen Betlehem binnentrekken en de mensen haar
verheugd begroeten, zegt Noömi droevig: 'Noem mij
geen Noömi meer, maar Mara, (verdriet) want de Almachtige
heeft mij veel verdriet aangedaan. Vol ben ik heengegaan en leeg ben ik
teruggekomen.'
IS DAT WAAR?
Nee. Iemand houdt haar hand vast. Het is... Ruth!