Lezen uit de Bijbel week 20
Ester 3: 1-7
Na verloop
van tijd gaf koning Ahasveros een hoge positie aan Haman, de zoon van Hammedata, een
nakomeling van Agag: hij plaatste hem boven alle rijksgroten
aan zijn hof. Alle hoge functionarissen van de koning die in de Koningspoort
waren, vielen telkens voor Haman op de knieën en
bogen zich voor hem neer, want zo had de koning het geboden. Alleen Mordechai knielde of boog nooit voor hem. De functionarissen
van de koning in de Koningspoort spraken Mordechai
daarover aan: ‘Waarom overtreedt u steeds het gebod van de koning?’ Dit vroegen
ze hem elke dag weer, zonder dat hij zich iets van hun woorden aantrok. Toen
lichtten ze Haman erover in, om te zien of Mordechai in zijn houding zou kunnen volharden; hij had hun
namelijk verteld dat hij een Jood was. Toen Haman te
weten kwam dat Mordechai niet voor hem knielde of
boog, werd hij woedend, en hij besloot Mordechai uit
de weg te ruimen. Maar nadat men hem had verteld uit welk volk Mordechai stamde, was de dood van Mordechai
alleen hem niet genoeg: vanaf dat moment zon Haman op
middelen om alle Joden in Ahasveros’ rijk om te
brengen, heel Mordechais volk.