Door Josine de Jong
Er lopen wel duizenden voeten door
de stad Suzan. Goedgeschoeide voeten en voeten met lappen omwikkeld.
Blote voeten van bedelaars en kindervoeten. Tussen al die onbekende mensen
loopt een armoedig en verdrietig meisje op veel te grote sandalen. Al haar
bezittingen draagt ze in een klein bundeltje met zich mee. Slifslof.... slif!
'Weet u soms waar...' vraagt ze
aan wat mensen. Die wijzen in de richting van het paleis. Eindelijk klopt ze
aan bij het sjieke huis van één van de knechten van
de koning.
'Woont hier meneer
Mordekai?' klinkt het verlegen.
De deur gaat wijd open.
Wie is dat arme kind en wat doet
ze bij die deftige knecht van de koning? Het is Hadassa,
een Jodinnetje. Haar vader en moeder zijn gestorven en nu heeft ze niemand meer
om voor haar te zorgen, behalve haar oom. Gelukkig is Mordekai
een gelovig mens, met een warm hart voor alles wat zwak en hulpeloos is. Hij
twijfelt geen moment, maar neemt Hadassa op in zijn
gezin als zijn eigen dochter.
'Waarom huil je, Hadassa?'
Mordekai kan haar
tranen zo goed begrijpen. Hij slaat zijn arm om zijn nichtje heen en troost
haar. Hij troost haar telkens weer als de pijn zo erg wordt. Maar dat niet
alleen. Hadassa die voortaan op z'n
Perzisch Ester wordt genoemd, krijgt van hem mooie kleren, goed voedsel en een
opvoeding die past bij de familie van een hoge ambtenaar. Wat een ander leven
is dat voor Ester. Oom woont binnen het ommuurde terrein van het paleis, ook
wel de Burcht genoemd. En daar is veel te beleven. Buitenlandse gezantschappen
rijden af en aan. Buikdanseressen en vuurvreters vertonen hun kunsten. Als
Ester even vrij kan maken van haar werk, is ze te vinden bij de ingang van het
paleis.
Op een keer besluit Ahasveros, de koning, om een feestmaal aan te richten voor
al zijn rijksbestuurders. Zes maanden lang worden alle paleisschatten
tentoongesteld. Aan het eind van dat half jaar mogen de knechten van de burcht
Susan, die zoveel extra werk hebben moeten verzetten, zelf zeven dagen
feestvieren. De hele voorhof wordt omgebouwd.
Schitterend! In plaats van straattegels: roze albasten tegels met kleine
stukjes parelmoer ingelegd. Gekleurde gordijnen opgehangen tussen witmarmeren
zuilen. Iedereen mag rusten op gouden en zilveren rustbanken en drinken van de koninklijke wijn.
Ester gaat meteen even uitproberen
hoe die banken liggen...
'Oom Mordekai,'
zucht ze als ze later op de dag met hem aan tafel zit, 'ik ben hier wel zo
gelukkig als in de hemel.'
'Ach, lief kind,' glimlacht Mordekai, terwijl hij haar zachte hand streelt, 'een
hemeltje is het hier echt niet. 't Is een showwereld.
Iedereen probeert er meer macht te krijgen dan een ander. Zo ben je in de gunst
en zo ben je er weer uit. Maar ik ben blij dat je het hier zo naar je zin
hebt...'
Oom heeft gelijk. Wie had er nou
gedacht dat ze de koningin weg zouden sturen. Die mooie koningin Wasti. Toch is het zo. Ester staat erbij te kijken. Hare Majesteit wilde niet komen toen haar man haar riep. Ze
moest van hem haar schoonheid tonen aan een zaal vol dronken mannen. Nou, dat
doet een dame toch niet.
Ester ziet haar treurig in een
gereedstaande koets stappen en wegrijden met onbekende bestemming...
Nog weken en maanden wordt er in
de burcht Susan over dit incident gesproken. Het meeste gaat langs Ester heen
omdat ze het druk heeft met haar werk en studie. Op
een dag neemt Mordekai haar apart.
'Ester, m'n
lieve kind,' begint hij voorzichtig, 'er zijn vandaag
boodschappers uitgezonden naar alle einden van het koninkrijk om een nieuwe
koningin te zoeken. De mooiste meisjes worden naar het paleis gehaald... Nou
denk ik dat jij een heel goeie kans zou maken om te
winnen. Vind je het goed als ik je eens voorstel aan Hegai,
de bewaarder van de vrouwen?'
Ester krijgt gelijk een vuurrode
kleur van verlegenheid. Zou oom echt denken dat zij...
'Echt, Ester, vertrouw me maar.
Alleen, zeg tegen niemand dat je joods bent. Er wordt zoveel
gediscrimineerd...'
En oom heeft het goed gezien. Hegai is meteen weg van dat frisse onbedorven snoetje. Hij
geeft haar de mooiste kamers van het vrouwenpaleis en zeven dienaressen om haar
met alles te helpen. Ester moet leren hoe ze moet handelen en wandelen. Ze moet
gebaad worden in heerlijke mirreolie. Dure japonnen worden gepast en geurige
parfums uitgeprobeerd.
Zo gaat er een jaar voorbij. Voor Mordekai een moeilijke tijd. Zouden ze zijn lieve Ester wel
vriendelijk behandelen? Elke avond staat hij bij de poort op een berichtje te
wachten. Soms vraagt Ester hem om raad in een moeilijk probleem. En zijn advies
wordt altijd opgevolgd, want Ester blijft erg op hem gesteld.
Tatereta!
Eindelijk breekt het grote moment aan, dat Ester aan de beurt is om voor de
koning te verschijnen. Met een grote zwaai gaan de deuren van de binnenzaal
open en daar staat ze in een schitterende japon van witte zijde. Haar donkere
haar golft in grove krullen langs haar fijne gezichtje. Op advies van Hegai heeft Ester geen opvallende sieraden aangedaan. Ze is
mooi genoeg van zichzelf. Daar is iedereen het mee eens. Ook de koning.
'Kom naderbij, Ester!' fluistert
hij ontroerd. 'Jij bent de mooiste van allemaal. Jij wordt de nieuwe koningin.'
Ja, en dan komt er alweer een
feest, een bruiloftsfeest natuurlijk. Als een sprookjesprinses verschijnt Ester
aan de arm van haar koninklijke echtgenoot op het
balkon en het volk juicht. Overal wordt gedanst, gezongen en gelachen. De
koning deelt grote geschenken uit...
Maar het gelukkigste van allemaal
is toch wel Mordekai. Zijn inspanningen zijn niet
voor niks geweest. Het arme weeskind is koningin
geworden. Daar is hij God heel dankbaar voor.