Ongeveer 15
minuten
Deze week
kun je kiezen uit de volgende activiteiten:
*Beeld een spreekwoord
over vergeven uit.
Bijv. iets met de mantel der liefde bedekken.
Iets slikken van de ander.
Iets van je af gooien.
Iets door de vingers zien.
Vurige kolen op iemands hoofd stapelen.
Ergens een punt achter zetten
Vergeven en vergeten.
Als iemand je op de rechterwang slaat, keer hem ook de
linker toe.
Kwaad met goed vergelden.
Iets van je af werpen/zetten.
*Of speel een spel
over vergeven
De kinderen krijgen zeven opdrachten. Je kunt ook met
groepen werken.
1.Vergeven is
eigenlijk héél maken
Voorbereiding: Knip vierkantjes uit gekleurde
magazines, allemaal even groot, zeg van zeven bij zeven, een paar meer als er
kinderen zullen zijn. Plak ze elk op stevig papier of karton om ze te
verstevigen.
Elk zo verkregen kaartje wordt voorzichtig doormidden
gescheurd en de twee delen van al die plaatjes worden in een emmertje of doos
gedaan.
|
|
|
|
|
Uitvoering: Stort de emmer leeg op de tafel of op de grond.
Laat ze twee kaartjes zoeken die bij elkaar passen en dan snel op hun stoel
gaan zitten.
2. Vergeven is:
uitwissen
Geef de kinderen een potlood, papiertje en stuf.
Op het papiertje schrijven ze iets wat ze een ander
aangedaan kunnen hebben, bijv. pesten, schoppen, knijpen, schelden, in de steek
laten, enz. Ze geven hun papiertje aan hun buurman, die het uit moet stuffen.
De leiding neemt met een stopwatch de tijd op om te kijken hoe lang het duurt
voordat iedereen een ander heeft vergeven.
3. Vergeven is:
schoonwassen. Twee
kinderen krijgen stroop op hun handen en twee andere kinderen moeten het
afwassen. Wie is het eerste klaar?
4. Vergeven is:
begraven
Laat twee kinderen een spijker(strijdbijl) in een pot aarde
begraven. (En niet meer opgraven!)
5. Vergeven is: Er
iets moois van maken
Laat ze van een inktvlek een leuk poppetje maken. (De
inktvlekken thuis voorbereiden.)
6. Vergeven is: iets
slikken van een ander
Trakteer op hartjessnoepjes.
7. Vergeven is: doen
als God
Spel: Zoek de
leider
Eén wordt als leider aangewezen,
wanneer een ander kind op de gang staat.
Die leider start steeds een
bepaalde beweging. De anderen doen het onmiddellijk na.
Hij doet het natuurlijk op een
slim moment. Degene die hem is moet raden wie de leider is.