Oei! Oei! Er is een grote
verwarring en angst in het vroeger zo mooie land Egypte. De mensen slaan zich
op de borst van wanhoop en schuilen weg in hun huizen. Na al de ellende van de laatste
tijd, plaag op plaag, veepest, hagel, sprinkhanen, heeft nu de belangrijkste
god hen in de steek gelaten. Ra, de zonnegod, die elke dag in zijn prachtige
wagen langs de hemel gaat, is nu al drie dagen weggebleven. Hoe kan dat? Het
dagelijkse leven is ontwricht.
In het Grote Huis vergadert de
Farao koortsachtig met zijn raadgevers en de Hogepriester van de tempel van Ra.
'Het komt allemaal door die God
van de Hebreeën,' buldert hij. M'n hele land ligt in
de vernieling. Voor miljoenen schade is er aangericht... En nu deze dikke
duisternis.'
'Hogepriester,' vervolgt hij
nijdig, (Z'n lippen versmallen zich tot een streep.) 'Welke van onze goden is
er in staat om hier iets tegen te doen?'
De hogepriester zwijgt in alle
talen. Hij heeft gedaan wat hij kon, extra grote offers gebracht, gebeden
opgezegd, horoscopen getrokken... Farao begrijpt zijn ongesproken woorden. Hij
buigt het hoofd. 'Goed dan.' besluit hij wijselijk. 'We zullen de slaven laten
vertrekken, maar zonder vee. Dat is van mij. Roep die Hebreeuwse leiders.'
Terwijl dit bevel wordt
uitgevoerd, komt een knecht het verheugende nieuws melden dat het buiten weer
licht wordt.
'Nee, majesteit, ook ons vee moet
mee,' zegt Mozes kortaf als hij het voorstel van de Farao hoort, 'geen hoefje
mag ontbreken.'
Nee? Tegen de Farao? Heeft dit
woord in deze zaal hier ooit geklonken? Hoewel Farao op een verheven troon zit
en Mozes beneden aan de trappen staat, lijkt het wel of hij de gelijke is van
de Farao. Maar Mozes weet dan ook, dat God hem opdracht geeft om zijn geslagen
volk te bevrijden. O, hij voelt drommels goed dat Ramses
hen weer niet zal laten gaan en dat maakt hem heel kwaad. De dienaren van de
Farao gniffelen achter hun hand. Mozes is erg populair onder hen. Ze mogen hem
graag. Die kerel heeft lef. Het lachen
vergaat hen echter als de Farao buldert: 'Van uw God?? Ik haat die God.
Vooruit, laat me jullie gezicht nooit meer zien, anders zal ik jullie laten
doden!'
Mozes geeft lik op stuk.
'Inderdaad,' antwoordt hij ijzig beheerst, 'Uwe
majesteit zal ons gezicht niet meer zien, want God zal midden in de nacht door
Egypte gaan en ELKE EERSTGEBORENE DODEN. Van het vee, de mensen en ook van u,
eerbiedwaardige Heer van het Grote Huis. Dan zullen uw knechten op hun knieën
smeken of we willen vertrekken...'
Zonder op een reactie van de Farao
te wachten, verlaat hij met Aäron de troonzaal.
'Nee, maar.' zegt de Farao.
'Ongehoord,' fluisteren de
lakeien.
'Haha!'
spot de kroonprins, die gekleed in goudbrokaat, een pantervel om zijn
schouders, naast zijn vader zit, 'Alle goden van Egypte zullen mij beschermen.'
'De Heer zal jullie beschermen,'
zegt Mozes tegen het volk zodra ze allemaal bij elkaar geroepen zijn. 'Maar...
luister heel goed naar onze instructies.'
En de mensen die allang niet meer
twijfelen aan hun leider, kijken hem gespannen aan. Dan vertelt Mozes wat de Here van plan is te gaan doen. Op de tiende nacht van de
maand zal een engel door het land trekken en alle eerstgeborenen doden. Overal,
in alle huizen zal die engel komen, behalve... DAAR WAAR HET BLOED VAN EEN LAM
OF GEIT AAN DE DEURPOST IS GESMEERD.
'Braad het dier aan het spit en
eet het helemaal op, met uw gezin of samen met een ander gezin. Eet er ook
matzes bij en bittere groenten. Maak u helemaal klaar
om onmiddellijk te vertrekken als wij het sein geven. Begrepen?'
Dan barst het rumoer los. Iedereen
wil wel iets vragen.
Op de negende van de eerste maand
heerst er een opwindende drukte bij de Israëlieten. Er worden dingen verhandeld
die niet mee te nemen zijn, koffers gepakt en laatste regelingen getroffen.
'Mam, waar moet ik deze potten
laten?'
'Jona,
ga even een bosje hysop plukken, dan kan pappa het bloed aan de deurpost
smeren.'
'Mag ik dat doen, pappa?'
'Nee, m'n
kind. Dit is van het allergrootste belang. Dat doe ik zelf. Houd jij de schaal
maar vast.'
'Jakob,
daar is de tentenhandelaar met de nieuwe tent.'
De hele dag door een geren en
gevlieg, maar als de avond valt, verdwijnt een ieder in zijn huisje, schuilen
allen achter de met bloed bestreken deur. Met kloppend hart, dat wel.
Ja, hoe moet ik je die nacht nou
beschrijven, die gruwelijke nacht dat God scheiding maakte tussen Egypte en
Israël? Terwijl het volk van God bij het schijnsel van olielampen het paaslam
opeet, terwijl ze hun liederen van geloof met bibberende stem zingen, hoor je buiten
overal koeien loeien, paarden hinniken, mensen in wanhoop gillen en jammeren.
Er is angst en dood, woede en machteloosheid.
'Pappa, waarom is deze nacht
anders dan de andere nachten?' vraagt een kind.
'M'n
zoon, o m'n zoon!' jammert de Farao. Zijn trots, zijn
toekomst, zijn hoop, alles ligt in scherven. Hij klemt zijn dode kind in zijn
armen en vervloekt al zijn onmachtige goden.
'Laat die Hebreeën weggaan,
alsjeblieft, met alles wat ze mee willen nemen!' brult hij wanhopig. 'En laten
ze bidden voor mij en mijn volk.'
'Ga, ga alsjeblieft,' smeken
Farao's knechten Mozes. 'Hier, neem deze sieraden mee, deze gouden borden en
die ring.'
Als de zon de volgende dag opgaat
in rozerode kleuren begint er voor het volk van God een onvergetelijke dag, een
nieuw tijdperk. Juichend passeert gezin na gezin de landsgrens. Het oude is voorbij. Met al hun bezittingen en al hun vee,
vertrekken de Israëlieten op weg naar het Beloofde Land.