DIE NARE
MAN
'Die man, die man!' moppert vader
Jakob. Waarom hebben jullie dan ook aan hem verteld dat je nog een broer hebt?'
Zijn zoons leggen hem voor de
zoveelste keer uit, dat die onderkoning er zelf naar gevraagd had.
'Moesten we dan soms liegen? Wij
konden toch ook niet weten dat hij Benjamin per se wilde zien?'
Jakob, boos, angstig, strijkt
weifelend langs zijn baard. Als er wat met Benjamin zou gebeuren...? Maar Juda
weet zijn vader te overtuigen.
'Vader, als we nu niet gaan zullen
we allemaal sterven van de honger. En ikzelf zal zorgen voor Benjamin. Heus, er
zal er hem niets overkomen.'
Jakob maakt een machteloos gebaar.
't Is waar. De hongersnood is groot in het land.
'Nou, ga dan maar... Neem een
geschenk mee voor die man. 'k Hoop dat hij Simeon dan ook weer vrijlaat. O ja,
neem ook dat geld weer mee dat boven in jullie zakken gelegd was. Misschien was
het een vergissing.'
Hoofdschuddend loopt hij weg,
mompelend: 'Moet ik dan al mijn kinderen verliezen? Eerst Jozef, nu Simeon en
straks Benjamin?'
Lang nadat ze zijn vertrokken staat
de oude man hen na te kijken bovenop de heuvel.
Na een voorspoedige reis staan de
zonen van Jozef op een dag weer in de rij om koren te kopen. Jozef heeft ze al
lang gezien. Fluisterend geeft hij een bevel aan zijn huisbestuurder.
'Breng die mannen naar mijn paleis.
Vanmiddag zal ik samen met hen dineren.'
De broers weten niet wat er met hen
gaat gebeuren. Bang en verward lopen ze achter die man aan.
'Ze brengen ons naar de gevangenis
vanwege het geld dat in onze zakken lag.' zegt Ruben tegen Naftali. Die knikt
en sjokt moedeloos verder. Juda raapt al zijn moed bij elkaar. Met een paar
woorden Egyptisch en veel gebaren probeert hij aan de huisbewaarder uit te
leggen, dat zij er niks aan konden doen. Maar de man haalt lachend de schouders
op: 'Ik heb het geld gekregen, hoor! Misschien heeft jullie God het wel
teruggelegd in jullie zakken.'
In het voorportaal van het paleis
worden ze een ogenblik alleen gelaten. Zwijgend wachten ze op de dingen die
komen gaan. Maar kijk eens wie er dan binnenkomt? Simeon, gezond en wel. Hij is
weer vrij.
Dan lijkt alles ineens weer goed te
worden. Ze krijgen water om hun voeten te wassen en een bediende komt vertellen
dat ze die middag met de onderkoning zullen dineren. Snap je dat nou? Eerst was
die man zo nors en nu zo supervriendelijk. Hij heeft vast en zeker gemerkt dat
ze geen spionnen zijn. Toch blijven ze zenuwachtig.
'Zorg jij voor de geschenken, Levi?'
vraagt Ruben. Hij strijkt z'n kleren glad en haalt een strootje uit z'n baard.
Eindelijk is het zover.
'Tateretaaa!' klinkt de trompet van
de deurwacht. De onderkoning komt eraan.
'Vlug, mannen, netjes naast elkaar
gaan staan en buigen, heel diep met je neus op de grond.'
Jozef geeft een teken dat ze weer op
kunnen staan.
'Hoe gaat het met uw vader, leeft
hij nog?' vraagt hij uiterlijk heel bedaard, maar van binnen erg gespannen.
'Danku, Heer, heel goed.' antwoordt
Levi eerbiedig. 'Hij leeft en zendt u deze geschenken. Amandelen, noten, hars
en wat terpentijnnoten.'
Hoewel Jozef vriendelijk bedankt
heeft hij toch niet echt belangstelling voor de geschenken. Hij kijkt naar zijn
broer Benjamin.
'Is dit nu jullie jongste broer?'
vraagt hij met een brok in zijn keel. Benjamin komt naar voren en maakt weer
een buiging. De anderen buigen ook maar voor de zekerheid. Zo komt het dat ze
de tranen in Jozefs ogen niet zien. Gauw loopt hij naar een zijkamertje om even
uit te huilen.
Nadat hij zijn gezicht heeft gewassen
komt hij weer terug en beveelt: 'Het eten kan opgediend worden.'
Het wordt een fantastische middag.
Een ding is wel vreemd. Ze zitten precies op volgorde van de oudste tot de
jongste. Hoe weet die man dat?
'Heb jij hem dat verteld, Simeon?'
'Ikke niet, hoor!' antwoordt die met
een volle mond.
Het eten smaakt prima. Eerlijk
gezegd drinken ze wel een beetje te veel wijn. Daar worden ze nogal vrolijk
van. Lacherig zoeken ze die avond hun slaapplaatsen op, blij dat alle
moeilijkheden voorbij zijn. Morgen weer naar huis...
Maar dat hadden ze gedroomd. Er
wachten hun nog een paar moeilijke uurtjes.
Over het halfduistere paadje naar de
stallen sluipt een man. Goed om zich heenkijkend of niemand hem ziet, gaat hij
de stal binnen waar de ezels van de broers staan geparkeerd. Weet je wie het
is? De huisbewaarder. Op Jozefs bevel legt hij het geld weer terug in de
zakken. En... in de zak van Benjamin verstopt hij... JOZEFS ZILVEREN
DRINKBEKER.
Nog een keer wil Jozef hen op de
proef stellen om te weten te komen of ze wel echt veranderd zijn.