Lezen uit de Bijbel week 8
In het bijbelboek Genesis 18:16-22
Toen de mannen weer verdergingen, lieten ze hun
blik op Sodom rusten. Abraham liep met hen mee om hun uitgeleide te doen. De
Heer dacht: “Waarom zou ik voor Abraham geheimhouden wat ik van plan ben? Uit
Abraham zal immers een groot en machtig volk voortkomen, en alle volken op
aarde zullen wensen zo gezegend te worden als hij. Want ik heb hem uitgekozen,
hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen
die ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen. Alleen dan zal ik
verwezenlijken wat ik Abraham heb toegezegd.”
Daarom zei de Heer: “Er zijn ernstige
beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra, hun zonden zijn ongehoord groot.
Ik zal er naar toe gaan om te zien of de klachten die ik over hen gehoord heb
gegrond zijn en zij verwoesting over zich hebben afgeroepen. Dat wil ik weten.”
Verklaring:
In Sodom en Gomorra was de zonde torenhoog
geworden. Er waren seksuele uitspattingen en men vermoordde de vreemdelingen.
God ging de steden straffen, maar eerst kwam de Heer even kijken of het
werkelijk waar was. Hierin zie je Gods rechtvaardigheid.
Men neemt aan dat de persoon die met Abraham
sprak, die op een man leek, niet God de Vader was, maar Jezus. Jezus bestond
namelijk al lang voordat hij als baby op aarde kwam.
Zelf zegt hij: “Voordat Abraham er was was ik er
al.”
Ja, toen de wereld werd geschapen was Jezus er ook
al. Hij werd daar HET WOORD genoemd. Johannes zei: “IN HET BEGIN WAS HET WOORD
EN HET WOORD WAS GOD.”