Little Pilgrim 7
Faith liep door. Ze voelde zich eenzaam.
Na het stenen bruggetje liep de koninklijke weg met
een bocht naar links.
En weet je wat Faith daar zag?
Niet ver voor haar uit liep een andere muis met een rood beestje op zijn
schouder.
“Hallo,” zei Faith toen ze hem ingehaald had, “Wat heb jij daar nou?”
“O, dat is een babydraakje,” zei de muis lachend, “Leuk hè? Die heb ik als
huisdier!”
“Schattig!” zei Faith, “Ik vind hem echt geinig, maar is het niet een
beetje gevaarlijk om een draak als huisdier te houden?”
“Wel nee!” lachte de muis, “Moet je kijken hoe klein hij is! Hé, draakje, jij
bent niet gevaarlijk hè? We zijn goeie vriendjes… Laat Faith maar kletsen.”
Faith keek naar het draakje en de draak keek hongerig terug.
“Kleine draken worden groot.” zei Faith, “En grote draken eten muizen!”
“Haha! Deze niet, hoor!” lachte de muis met een
stomme grijns op zijn gezicht.
“Nou, succes!” zei Faith schouderophalend en ze liet de kortzichtige muis
achter zich.
Voor haar uit liep de weg met een bocht rond een wijde vallei, waar een brug
overheen liep. Maar je kon alleen maar het begin van de brug zien omdat er
verderop een dikke mist was.
Faith hield haar ogen op de weg gericht terwijl ze voorzichtig verder liep,
maar ze aarzelde toen ze de dikke mist in moest.
Stel je voor dat de weg zomaar ophield, of dat er een gat in de weg was…
Voetje voor voetje schuifelde ze verder, voorzichtig tastend met haar voet
voordat ze een stap zette.
De angst kroop in haar keel omhoog.
“Ik heb geen zin om hier te verongelukken, nadat ik zover ben gekomen!” zei ze
bij zichzelf.
Faith durfde tenslotte geen stap meer te verzetten.
Doodsbang en met knikkende knieën stond ze een tijdje stil.
Bomberdebomberdebom!
Achter haar op de brug kwam een neushoorn met een dikke kerel erop.
“Tsa! Tsa! “ spoorde de
ruiter zijn rijdier aan.
De poten van het dier ploften hard over de brug.
Faith deed een stapje opzij om de twee te laten passeren.
Die neushoorn stampte zo hard, dat de brug er zelfs van ging schudden.
Met veel lawaai galoppeerde de ruiter en zijn beest verder, de mist in
onder luid zweepgeknal en geschreeuw.. .
Faith stond als aan de grond genageld.
Maar ineens begon ze hard en opgelucht te lachen.
“Wat een mop, zeg! Ik was bang dat de brug mij, een muis, niet kon houden,
terwijl er een galopperende dikke vette neushoorn overheen kan rijden! ‘t Is
toch niet te geloven!” riep ze vrolijk.
Toen ze uitgelachen was kwam er een frisse wind die de mist wegblies.
En weet je wat Faith toen zag? Ze
liep niet over een wankel bruggetje, maar de weg werd ondersteund door een
massieve stenen muur!
Wat was ze blij om dat te zien!
Verder en verder liep de kleine muis. Opgelucht begon ze liedjes te zingen
over de Grote Koning. Haar hartje was
vol dankbaarheid.
Zonder enig probleem bereikte ze de overkant van de vallei.
Dom eigenlijk dat ze zo weinig geloof had gehad in de brug van de
koning.
Niet ver daar vandaan zag ze ineens de vlaggen wapperen op het dak van het
paleis van de koning.
Het waren schitterende vlaggen, rood en paars met gouden randen…
“Ik ben er bijna!” lachte Faith blij, “Wat fijn dat ik alle ellende van
deze wereld achter me kan laten!”
Ze ging vanzelf vlugger lopen.
Maar bij de volgende hoek kon je de vlaggen niet meer zien.
De weg liep wat naar beneden.
“Kgg, kggg, kgg!”
Wat was dat nu voor geluid? Het kwam uit een boom. Toen Faith dichterbij
kwam zag ze iemand op een tak zitten zagen.
“Hallo, jij daar!” riep ze, “Wat ben
je aan het doen?”
“Nou gewoon een tak van deze boom aan het afzagen. Dat zie je toch?” zei een
hagedis, terwijl hij het zweet van zijn kop afveegde.
“Ja, dat zie ik ook wel,” antwoordde Faith verbaasd, “Maar zou het niet slimmer
zijn als je aan de andere kant van de tak ging zitten?”
“Aan de andere kant?” vroeg de hagedis geïrriteerd, “Tuurlijk
niet! Ik ben rechts en zo kan ik makkelijker zagen. Wat ben je toch een dom
blondje.”
Hij ging een beetje verzitten en ging door met zijn werk.
“In het boek van de koning staat, dat je je
gezonde verstand moet gebruiken,” riep Faith nijdig. Als je zo door gaat kom je in het ziekenhuis
terecht.”
“Onzin, meidengeklets!” lachte de hagedis en zaagde verder.
Je snapt het natuurlijk al.
Klets Boem! De hagedis viel onder enorm gekraak hoog uit de boom.
“Au, au! Dat is allemaal jouw schuld, stomme trut!” riep de hagedis
woedend, “Ik krijg je nog wel. Maak dat je wegkomt, of ik…!”
Faith ging er maar gauw vandoor. Ze had geen zin in ruzie.
Met het boek in haar hand liep ze verder totdat ze ineens iets heel
bijzonders zag. Het was een regenboog die vanaf de weg in sierlijke bochten
naar de horizon kronkelde.
In de kleuren van de boog stonden allemaal woordjes geschreven.
Het waren woorden zoals:
Geluk, tevredenheid, vrede, liefde, vrijheid en nog veel meer van zulke
zaken.
Faith vond het erg mooi!
“Zou de koning dit hier geplaatst hebben om pelgrims zoals ik te
bemoedigen?” vroeg ze zich af.
Ze zag dat de regenboog over de heuvel heen golfde.
Wat zou er aan het andere eind zijn?
Een pot met goud, zoals sommigen denken?
Ze rende vlug de heuvel op om te kijken.
Als een gekleurde draaiende slang golfde de regenboog door de lucht.
Faith erachteraan natuurlijk. Hoe verder ze kwam hoe nieuwsgieriger ze werd.
De boog ging over wat hoge bomen heen en eindigde tenslotte op de grond.
In een pot met goud?
Was daar een grote schat?
Zou Faith nu miljonair worden?
Niks hoor!
Al dat najagen naar geluk eindigde in…
De dood. Ze had het kunnen weten, want in het boek van de koning staat
erover geschreven!
“Het waren allemaal waardeloze beloftes,” zuchtte Faith.
Ineens herinnerde ze zich een liedje van vroeger:
“Zoek je naar waar geluk, stralend geluk? Laat Jezus dan toe in je hart.”
Teleurgesteld dat ze erin was gestonken vervolgde Faith haar weg.
Op een gegeven moment stond er langs de weg een standaard met de koninklijke vlag.
Faith maakte een luchtsprong van blijdschap.
“Hoera! Nu ben ik vlakbij!” riep ze.
Vol bewondering bleef ze een tijdje naar de prachtig versierde vlag kijken.
Ze bleef maar naar die vlag kijken en vergat helemaal op te letten waar ze
liep.
En dus… liep ze van het pad af en…. stortte zo de diepte in!
Rommeldebommeldebommel.
Daar ging ze kopjeduikelend naar beneden tot ze met een klap op de bodem
terecht kwam.
Ze dacht even dat haar laatste uurtje had geslagen.
Gelukkig was ze in een kuil vol afval gevallen.
Het was geen lolletje, maar ze leefde tenminste nog.
Ze was er goed vanaf gekomen al was het met builen en blauwe plekken.
Misschien had ze wel een hersenschudding opgelopen.
Alles deed haar zeer.
Maar haar boek had ze gelukkig nog.
“O, wat was ik toch stom,” zuchtte Faith. “Ik keek naar de vlag, maar ik
had beter op de weg moeten letten.”
“Hallo, kindje, leef je nog?” riep een stem hoog boven haar.
Faith probeerde te ontdekken wie haar riep.
Bovenaan de kuil, daar bij de weg stond iemand naar haar te zwaaien.
“Ja,… ik leef nog. Au! Au!” riep Faith terug, terwijl ze probeerde omhoog te
komen.
“Hier, pak dit touw vast als je kunt!” riep de muis die boven stond. Het
was een bekende stem. Wie zou het zijn?
Faith pakte het reddende touw beet en begon voorzichtig naar boven te
klimmen.
Het werd een zware klim, omdat alles bij Faith zeer deed.
Maar toen ze eindelijk boven stond wachtte haar een grote verrassing.
Je raad nooit wie haar zo omhoog getrokken had…
“Vader!” riep ze blij, “Wat doe jij hier?”
“Ik denk dat er iemand voor mij heeft gebeden,” zei Faith’s
vader lachend, terwijl hij zijn dochter voorzichtig omhelsde, “want ik ben ook
op weggegaan. Was jij dat soms?”
“Ja, dat klopt, pa” snikte Faith.
Ineens zag ze nog iemand aan komen lopen. Het was haar moeder!!
“Mams, jij ook al?”
De tranen liepen over Faith’s wangen van
blijdschap.
“Ik dacht dat ik jullie nooit meer zou zien!…”
“Alles is mogelijk bij God.” zei haar moeder, terwijl ze haar dochter in de
armen sloot.
“Hebben jullie ook zoveel beleefd als ik? Vertel eens…” vroeg Faith blij.
En toen kwamen alle verhalen los.
Ook de vader en moeder van Faith hadden wonderlijke avonturen beleefd op
weg naar het paleis van de koning.
Toen ze uitverteld waren zei Faith’s vader: “Snap
je nou waarom je in die diepe put terecht bent gekomen?”
Faith knikte.
“Het kwam omdat ik de vlag bewonderde en vergat dat de weg van de koning
het allerbelangrijkste was.”
Precies zei vader.
Vergeet het nooit: “Het gaat niet om de kerk waar je naar toe gaat, maar om
Jezus.”
En daar was ze het helemaal mee eens.
“Al die kerken zijn net vlaggen,” zei Faith nadenkend
“Als je alleen maar naar de kerk gaat en je doet niet wat de koning zegt, ben
je nergens?”
Ze voelde de warmte van de handen van haar ouders. En dat maakte haar zo
in- en inblij.
Wat hield Faith veel van de koning.
Zo liepen ze gedrieën het laatste stuk van de weg tot ze bij de poort van
het paleis kwamen.
De koning zelf kwam hen welkom heten en ze mochten voor altijd in zijn
prachtige paleis wonen.
“Eindelijk zijn we op de plaats waar we echt gelukkig zullen zijn.” zei
Faith.
Zeg, lezertje, ben jij al op reis gegaan? De koning verwacht ook jou!