Little Pilgrim 6
Faith en Vriend kwamen steeds dichter bij het paleis van de koning. Er
waren zware etappes bij en ze zagen veel vreemde dingen. Een van de
merkwaardigste belevenissen was wel toen ze op een gegeven moment bij een gat
in de weg kwamen.
Ze gingen het gat eens goed bekijken en wat ontdekten ze? Helemaal beneden
op de bodem zat een muisje met een schep.
Wat deed die daar nou?
“Hallo?” riep Faith naar beneden. “Hebbie hulp
nodig soms?”
“Nee,” zei het beestje. “Ik ben in de put gevallen, maar ik kan er zelf wel
uitkomen.” De twee muizen bekeken het hele zaakje eens. Het was een onbegonnen
werk, dat zag je zo. Hoe meer de muis ging graven, hoe dieper hij in de put
kwam te zitten.
“Zo bereik je niets, man,” zei Vriend, “Hier, pak mijn hand en dan trekken
we je er weer uit. Dat scheelt een hoop werk.”
“Ik hoef helemaal geen hulp van jullie,“ gilde de muis overspannen, ik ben er
zelf in gevallen en ik zal er ook zelf weer uit komen!”
Het was een dom schepseltje.
Faith en Vriend bleven een tijdje zitten bij het gat. Ze hoopten dat de
muis daar beneden misschien van gedachten zou veranderen, maar dat was niet zo.
Hij bleef maar graven en graven totdat hij helemaal diep in de duisternis kwam
te zitten.
“Weet je wat ik wel eens denk,” zei Faith verdrietig, toen ze verder
gingen, “Er zijn muizen die gewoon niet te helpen zijn.”
Op dat moment pakte Vriend plotseling haar arm vast.
Al hun haren gingen rechtovereind staan, want wat hoorden ze? Een vreselijk
gebrul van een enorme leeuw, die vlak bij het pad tussen de bosjes lag.
“O, moederlief!” huilde Faith, terwijl haar knieën knikten, “ddd… die gaat ons
toch niet …… opeten?”
De leeuw had wel trek in een hapje muis. Hij likte met zijn lange tong
langs zijn lippen.
“Komen jullie maar eens hier,” zei hij hongerig, “Ik heb trek in een hartige
snack… Al weken heb ik niks gehad, dus…!”
“Wewewe…. zijn veel te klein om op te eten.” piepte
Faith, “Ga iets groters zoeken.”
“Jullie lopen op het pad dat leidt naar het paleis van de koning” zei de leeuw,
“En ik eet alleen maar de volgelingen van de koning op, want die smaken me het
allerbest. Dus kom hier en gauw…!”
“Kom gauw hier??”
Vriend kreeg ineens een ingeving.
“Zeg, grote boze leeuw, waarom kom jij niet naar ons toe? Pak me dan als je
kan…” zei hij vrolijk.
De leeuw keek ongemakkelijk.
“Ikke… eh… daar heb ik geen zin in,” probeerde
hij.
“Dat dacht ik wel,” riep Vriend vrolijk.
Hij kwam een stukje dichterbij en keek onderzoekend naar het grote beest.
Toen de leeuw opstond kon je duidelijk zien, dat er een grote ketting om
zijn nek zat.
“Haha, wat een mop. Faith moet je kijken. De
leeuw ligt aan de ketting. Hij kan ons niets doen!”
Wat moesten de muizen lachen.
De leeuw voelde zich in zijn hemd staan. Hij brulde ontzagwekkend en rukte
aan de zware ketting.
“Nananenana!”
Ze maakten een lange neus tegen het gemene beest en liepen gewoon langs
hem. Ook al sloeg hij zijn klauwen naar hen uit, hij kon hen echt niet pakken!
“Hij wil ons alleen maar bang maken,” lachte Vriend, “Zie je dat koning hem
aan een ketting heeft laten leggen? Hij is alleen maar gevaarlijk als we van
het pad afgaan.”
Opgelucht gingen ze verder, blij dat ze de leeuw achter zich konden laten.
Het volgende avontuur diende zich al weer aan.
Ze kwamen op een vlakte met allemaal ruïnes en oude forten.
“Nou zeg, hier is behoorlijk gevochten,” riep Faith uit.
“Wat zou er gebeurd zijn?”
Ze had het nog niet gezegd of… flats! Een grote steen viel tussen hen in op
de grond.
Meteen werden ze aangevallen door allemaal pijlen. Ze hoorde ze fluitend
aankomen vanachter de rotsblokken.
“Pas op, Faith! Achter je!” riep Vriend, terwijl hij zijn vriendinnetje naar de
kant trok.
De muizen zetten het op een lopen, maar de pijlen floten hen om de oren.
“We moeten ergens schuilen!” riep Faith zenuwachtig. “Maar waar?”
Ze opende het boek van de koning en bad om hulp.
Onmiddellijk vielen er een paar bakstenen uit het boek.
Ze groeiden en groeiden. Er kwamen er steeds meer. Ze vormden zomaar uit
zichzelf een ronde muur.
“Wat krijgen we nou?” riepen de muizen verbaasd.
Hoger en hoger werd de toren. Er verscheen een deur in, waardoor ze naar
binnen konden vluchten. Snel sloten ze de deur achter zich.
De toren was sterk en hoog genoeg.
“Kling, klang,” alle pijlen ketsten af tegen de
sterke muur.
“We zijn hierbinnen onaantastbaar, Vriend,”zei Faith opgelucht. “Dankzij de
koning.”
Onze vriendjes zagen een trap.
“Zullen we eens kijken hoe het er van boven uitziet?”vroeg Vriend die de ondernemendst was. Ze klommen naar boven hoger en hoger tot
ze haast buiten adem waren.
Toen ze van boven naar beneden keken waren ze stomverbaasd.
Er stonden allemaal vijanden rondom de toren. Ze probeerden de toren kapot
te maken, maar dat lukte van geen kant. Grote bekken hadden ze wel en vloeken
konden ze ook goed. Toen Faith en Vriend zagen hoe veilig ze waren durfden ze
hun vijanden zelfs uit te lachen. Geen enkele steen kon hen bereiken. Waarschijnlijk
zagen die vijanden dat ook wel in, want na een tijdje dropen ze af.
“De naam van de Heer is een sterke
toren,” las Faith uit het boek. “Wist je dat dat er
in staat? We moeten die tekst maar gauw uit ons hoofd leren.”
“Hoe gaat het verder?”vroeg Vriend nieuwsgierig.
Faith las: “De rechtvaardige snelt erheen, en is veilig. En het staat
in Spreuken 18:10”
“Schitterend! De koning heeft ons gered van onze vijanden. Wat een uitzicht
trouwens, hè?”
Ze bleven nog een aardig tijdje boven op die toren, veilig voor hun
vijanden. Ondertussen knabbelden ze van de lekkere bladzijden uit het boek,
want ze hadden honger gekregen. Ze lachten om die gekke gezichten van die
aanvallers. Na een heerlijk middagslaapje stonden ze verfrist weer op.
Het leven met de koning was geweldig!
Eenmaal weer op de weg genoten ze van het prachtige uitzicht van de
omgeving. Faith was al een tijdje vrij stil. Ze zat ergens over te piekeren.
“Vriend,” zei ze plotseling, “Weet je, ik moet steeds denken aan mijn vader
en moeder. Ik wou dat ze bij ons waren.”
“Heb je voor hen gebeden?” vroeg haar vriendje.
“Eh… Nee, eigenlijk niet.” zei Faith beschaamd.
“Kom op! “Dan doen we het nu toch!”
Samen baden ze dat de ouders van Faith ook op weg zouden gaan naar de
koning.
“Hoe weet je nou of je gebed verhoord is?” vroeg Faith even later.
“Geen idee… Door de vrede in je hart misschien?”meende Vriend, “We moeten
gewoon vertrouwen dat de koning ons heeft gehoord. Op zijn tijd zullen we het
zien…”
Het pad werd nu erg bochtig en er groeiden veel dorens langs de kant.
Soms waren die doornstruiken gewoon over de weg heen gegroeid.
“Au! Ik zit onder de schrammen. Moet je zien.” riep Faith uit.
Hoewel Vriend probeerde de takken voor Faith wat opzij te houden, kwamen ze
toch niet onbeschadigd door die bosjes heen.
“Dit kan toch nooit de goeie weg zijn?” riep Faith tenslotte boos.
Vriend keek eens goed naar beneden, haalde zijn schouders op en antwoordde:
“Toch wel! Ik snap het ook niet, maar kijk, de weg loopt hier onder onze
voeten!”
Wat moesten ze beginnen?
“Zeg, ik herinner me een tekst uit het boek, dat zegt: “Wie de
verkeerde weg gaat, treft dorens en valstrikken aan… Kijk, hier in Spreuken 22:5” zei Vriend.
“Echt?” antwoordde Faith ‘Wie weet zijn we dan wel in de buurt van iemand die
verward is. Wat denk je?”
“Het zou kunnen…” zei Vriend schouderophalend.
En ja hoor. Een klein stukje verder stuitten ze op een grauwe muis die het
erg druk scheen te hebben. Hij was aan het grommen en snauwen, je weet wel,
gewoon in zichzelf aan het mopperen. Hij had hen nog niet opgemerkt.
“Voorzichtig, Vriend!!” fluisterde Faith met haar vinger op de mond, “Geen
contact maken met iets wat slecht is…!”
Vriend knikte dat hij het ermee eens was en ze probeerden zachtjes langs de
muis de glippen, maar dat lukte niet. Ineens veranderde zijn gezicht in een
gemaakte glimlach.
“Hallo, wie hebben we daar?” grijnsde hij.
“Mag ik me even voorstellen? Ik ben Vrijheid en hoe heten jullie?”
Zonder erbij na te denken gaf Faith die net zo voorzichtig was, de grauwe muis
een hand. Ze was nou eenmaal gewend om vriendelijk te zijn.
“Eh… Ik ben Faith en dit is mijn vriendje Vriend.”
Vriend vond het maar niks.
“Jullie blijven toch wel even?” zei Vrijheid, “Ik heb je zoveel leuke verhalen te
vertellen. Het zou zonde zijn als je die moest missen.”
“Spijtig,” zei Faith, “Geen tijd! We moeten naar het paleis van de koning.”
“Wat zeggie nou?” lachte Vrijheid, “Paleizen
blijven er altijd en ik kan je nog wel mooiere laten zien dan dat van de
koning. Kom eens mee. Je kijkt je ogen uit. Goud, zilver, juwelen, albast en
marmer, inclusief zwembaden en sauna’s.”
“Nee, dankje. Geen zin,” zei Vriend beslist. Hij
pakte Faith’s hand beet en voegde eraan toe, “Orders
van hogerhand.”
Faith en Vriend waren blij dat ze van hem af waren. Toen Faith echter naar
haar hand keek zag ze een rare zwarte vlek zitten. Ze probeerde hem af te
vegen, maar hij werd groter.
“O, je hebt die grauwe muis een hand gegeven!” riep Vriend geschrokken.
“Je hebt gelijk, wat een troep is
dit!!” riep Faith, “Hoe kom ik ervan af.”
Het zwarte kleverige spul zat al op haar arm en hoe meer ze eraan veegde
hoe erger het werd. Ze zat er al spoedig helemaal onder.
“Raak me niet aan, Vriend’” riep ze angstig, “Dan krijg jij het ook!”
“Dit komt me bekend voor,” zei Vriend nadenkend, “Er is maar één oplossing
voor en dat is het boek van de koning.”
Hij opende het boek en hield het in de richting van Faith.
“Nou, lees maar eens!” beval hij. Zodra Faith hardop begon te lezen viel de
zwarte rotzooi van haar af.
“Zie je wel! Helemaal schoon door het boek.” zei Vriend.
Wat was Faith blij. Ze kon wel dansen van vreugde.
“Ik ben dol op het boek,” zong Faith, “het is alles wat we nodig hebben.
Lief, lief lief koninklijk boek. Dankjewel.”
Vriend begon ook mee te dansen. Ze draaiden kringetjes en zwaaiden hun
handen in de lucht. Hup met de beentjes.
“Hhh… hèhè…”hijgde Vriend tenslotte, “Ik vind dat
de hele wereld dit moet weten.”
En daar was Faith het helemaal mee eens. Hierna liepen de twee muizen nog
een volle dag verder tot ze bij een bruggetje kwamen. Daar aangekomen stopte
Vriend en zei: “Faith, tot zover, nou moet ik je weer verlaten.”
Dat vond Faith helemaal niet leuk. Ze trok wit weg. “Waar is dat nou weer goed
voor?” vroeg ze.
“Nou, kijk, er zijn nog meer reizigers die geholpen moeten worden. Snap je?”
“Ik zal je vreselijk missen,” zei Faith,
“En ik jou ook,“ zei Vriend, “Maar het moet nou eenmaal en jij ben nu zo sterk
geworden dat je het zelf wel kunt. Er zijn nog zoveel zwakke reizigers, die
geholpen moeten worden. ”
De twee muizen omhelsden elkaar en Vriend vertrok.
“Ik zie je in het paleis!” riep hij vrolijk, terwijl hij een kushandje naar
zijn vriendinnetje blies.