Lezen uit de Bijbel     week 49

 

In het bijbelboek Lucas 1:26-34

 

In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’

Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.

 

Verklaring:

In de zesde maand Ze telden toen de maanden anders dan nu.

Adar is de zesde maand van het joodse jaar en telt 29 of 30 dagen. Deze maand valt ongeveer samen met de tweede helft van februari en de eerste helft van maart

 

Uitgehuwelijkt: dat wil zeggen beloofd. Een meisje koos niet zelf een man uit, maar haar ouders huwelijkten haar uit.

 

Maria kreeg dus een kind zonder dat ze seks had gehad met een man. Dat is natuurlijk een wonder van de bovenste plank.