Lezen uit de Bijbel     week 48

 

In het bijbelboek  Gen 32:1-7

 

 

De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn kleinkinderen en zijn dochters, en zegende hen. Daarna ging hij terug naar huis.

Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg. ‘Een leger van God!’ riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaďm.

 

Jakob stuurde boden vooruit naar zijn broer Esau in Seďr, het gebied van Edom, en droeg hun het volgende op: ‘Jullie moeten tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: “Uw dienaar Jakob laat u weten dat hij een tijdlang bij Laban heeft gewoond en pas nu bij hem is weggegaan. Hij heeft daar runderen, ezels en schapen en geiten in bezit gekregen, en ook slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn heer, overbrengen in de hoop dat u hem goedgezind zult zijn.”’

 

Verklaring: Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg

Jacob had een visioen. Misschien zagen de mensen om hem heen de engelen niet. Dat is ook wel eens bij Elisa en zijn knecht gebeurd. Elisa zag engelen en hij bad dat God de ogen van zijn knecht wilde openen.

Het moet wel een fijn gevoel zijn voor Jacob, dat God hem beschermd met zijn engelen. Toch bleef hij nog bang voor Esau, want hij stuurt hem een goedmakings geschenk.

 

mijn heer: Zie je wel hoe beleefd hij tegen zijn tweelingbroer doet!