Lezen uit de Bijbel week 46
In het bijbelboek Gen. 29:1-13
Jakob vervolgde zijn reis naar het land waar de volken van
het oosten wonen. Op een dag zag hij ergens in het open veld een put waar drie
kudden schapen omheen lagen; de dieren kregen altijd uit die put te drinken.
Over de opening van de put lag een grote steen. Als alle kudden daar bijeen
waren gedreven, werd de steen van de opening gerold en kreeg het vee te
drinken. Daarna werd de steen op de put teruggelegd.
Jakob vroeg de herders: ‘Waar komen jullie vandaan,
vrienden?’ ‘Uit Charan,’ antwoordden ze. ‘Kennen jullie dan misschien Laban, de
kleinzoon van Nachor?’ ‘Jazeker,’ zeiden ze. ‘Hoe maakt hij het?’ vroeg hij.
‘Goed,’ antwoordden ze. ‘Kijk, daar komt zijn dochter Rachel juist aan met de
schapen.’
‘Maar het is nog volop dag,’ zei Jakob, ‘het is toch nog
geen tijd om het vee bijeen te drijven? Jullie kunnen de dieren toch te drinken
geven en ze daarna weer laten grazen?’ ‘Nee,’ zeiden ze, ‘dat kan niet. Pas als
alle kudden bijeen zijn gedreven, rollen we de steen van de put en geven we het
vee te drinken.’
Terwijl hij nog met hen stond te praten, kwam Rachel eraan
met de schapen van haar vader; zij was herderin. Zodra Jakob Rachel zag, de
dochter van zijn moeders broer Laban, met Labans vee, liep hij naar de put,
rolde de steen van de opening en gaf de dieren van zijn oom te drinken. Daarna
kuste hij Rachel, terwijl hij zijn tranen de vrije loop liet.
Verklaring: Hier lijkt Jacob een klein beetje
op Jezus. Hij rolde ook de steen weg, niet van een waterput, maar van het graf.
En weet je waarom? Omdat hij zoveel van ons houdt.