Lezen uit de Bijbel     week 44

 

In het bijbelboek  Genesis 25: 27-34

 

Toen de jongens opgegroeid waren, werd Esau een uitstekend jager, iemand die altijd buiten was, terwijl Jakob een rustig man was, die het liefst bij de tenten bleef. Isaak was zeer op Esau gesteld want hij at graag wildbraad, maar Rebekka hield meer van Jakob. Eens was Jakob aan het koken toen Esau uitgeput thuiskwam van de jacht. ‘Gauw, geef me wat van dat rode dat je daar kookt, ik ben doodmoe,’ zei Esau tegen Jakob. (Daarom wordt hij ook wel Edom  genoemd.) ‘Pas als jij me je eerstgeboorterecht verkoopt,’ antwoordde Jakob. ‘Man, ik sterf van de honger,’ zei Esau, ‘wat moet ik met dat eerstgeboorterecht?’ ‘Zweer het me nu meteen,’ zei Jakob. Dat deed Esau, en zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Daarop gaf Jakob hem brood en linzensoep. Esau at, dronk en ging meteen weer weg; hij hechtte geen enkele waarde aan het eerstgeboorterecht.

 

Verklaring:

wildbraad is gebraden wild

 

Edom dat lijkt op het woordje Adam wat rood betekent.

 

Eerstgeboorterecht: 

De oudste mocht zijn vader opvolgen als hoofd van de stam. Als je alle grond onder de jongens zou gaan verdelen, bleef er voor elk steeds minder over. In dit verhaal gaat het om meer. Het is de zegen van God, die doorgegeven wordt van vader op zoon en Jacob wil dolgraag de doorgever zijn van die belofte. Esau geeft er niks om.