Lezen uit de Bijbel     week 39

 

In het bijbelboek   Joh. 6: 28-36

 

Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’

‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft,’ antwoordde Jezus.

Toen vroegen ze: ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen? Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’

Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood uit de hemel. Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’

‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen.

‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.

 

Verklaring:

De Farizeeën wilden dat Jezus een wonder deed. Dan zouden ze wel in hem geloven. Als Jezus manna uit de hemel zou laten regenen, ja, dan …

Maar Jezus was zelf het manna uit de hemel. Dat snapten ze niet. Weet je hoe dat komt? Hun hart was niet zacht voor Jezus. En jouw hart?