Lezen uit de Bijbel     week 35

 

In het bijbelboek:   Marcus 1:16-21

 

Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.

 

Verklaring:

hun netten uitwierpen: Dat waren werpnetten

vissers van mensen: Dat wil zeggen dat ze mensen zouden gaan winnen voor het Koninkrijk van God

 

herstellen van de netten: Netten scheuren nog al eens en als vissers even tijd over hadden, gingen ze die netten weer repareren. In Nederland noem je dat ook wel: netten boeten.

 

Het was nogal een risico om Jezus te volgen, want dan hadden ze geen inkomen meer voor zichzelf en hun gezinnen. Jezus riep hen. Eigenlijk is dat heel mooi. God riep ook Adam: Adam, waar ben je? Hij roept ook jou bij je naam. We kunnen antwoorden: Hier, Here, ik wil u dienen. Heb jij al geantwoord?