Lezen uit de Bijbel week 31
In het bijbelboek Genesis 2: 1-15
Van alle in het wild levende
dieren die God, de HEER,
gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het
waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen
eten?’
‘We mogen de vruchten van alle
bomen eten,’ antwoordde de vrouw, ‘behalve die van de boom in het midden van de
tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs
maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’
‘Jullie zullen helemaal niet
sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan
zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen
hebben van goed en kwaad.’
De vrouw keek naar de boom.
Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond
het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar
vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij
at ervan. Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren.
Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.
Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de
koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor
hem tussen de bomen. Maar God, de HEER, riep
de mens: ‘Waar ben je?’
Verklaring: Is het waar? Dat
is twijfel zaaien. De duivel wil dat Adam en Eva God niet meer vertrouwen.
‘Waar ben je?’ God
zoekt de zondige mens op!