Activiteit    week 9

 

Deze week kun je kiezen uit de volgende activiteiten: vijftien minuten

 

 

10 bijbelboeken van het Nieuwe Testament in de juiste volgorde zetten  (NT deel 1)

 

 

*Koop wat goedkoop katoen op de markt, maak er zakdoekjes van en ga met viltstiften de zakdoekjes betekenen. (God zal alle tranen van de ogen afwissen) Ze kunnen zo’n zakdoekje aan een ziek persoon geven. Als je een kartelschaar hebt kun je er puntjes aan knippen. Als je een handige moeder hebt, kan ze ze even omzomen op de naaimachine.

 

Of speel een spel: vijftien minuten

*of Quiz met drie sleutels.

Als ze het antwoord bij de eerste hint weten krijgen ze drie punten, bij twee hints krijgen ze twee punten en bij drie hints krijgen ze een punt.

Ze kunnen het in groepjes doen, of ieder voor zich.

 

Bijv. 1. Ik ben een discipel, ik was bij de opstanding van Lazarus, ik schreef  alles op in het bijbelboek. Johannes

2.Ik ben een vrouw, ik was een zuster van Lazarus, ik ging Jezus tegemoet. Marta

3.Ik was in het Overjordaanse, ik werd geroepen toen mijn vriend erg ziek was, ik liet het graf open maken. Jezus

4.Ik  was ernstig ziek, ik hoorde Jezus stem toen ik al dood was, ik kwam uit het graf met doeken om mij heen. Lazarus

5.Ik was erg pessimistisch, ik twijfelde vaak, Laten we maar met Jezus sterven, zei ik. Thomas

6.Ik was de hogepriester, ik hoorde wat er gebeurd was, ik zei het is beter dat Jezus sterft en niet het hele volk te gronde gaat. Kajafas.

7. Ik moest erg hard huilen, ik was een zus van Lazarus, ik viel voor Jezus voeten neer. Maria.

8. Ik ben een dorp, Lazarus en zijn zusters woonden er, ik lag vlakbij Jeruzalem. Bettanie.

9. Ik was een discipel, ik ging over de kas, ik verraadde Jezus. Judas.

10. Ik ben een rivier, Johannes de Doper doopte in mij, Jezus was er naar de overkant gegaan. De Jordaan.

 

Of: Zoekspelletje

Een kind gaat naar de gang. De anderen verstoppen een van te voren afgesproken ding. Als degene die op de gang staat gaat zoeken dan roepen de anderen: heet, koud, lauw, heter, kouder, enz. tot hij/zij het voorwerp vindt.