Heb je wel eens een sprookje gehoord van een prins, die een
prachtig land geërfd had, maar het pas kon innemen nadat hij de zevenkoppige
draak verslagen had?
In onderstaand verhaal gaat het ook over een land en over
enge reuzen… Ja echt, het staat in de bijbel, lees maar.
‘Mozes!’
‘Ja Heer,’
‘We zijn nu bijna bij het Beloofde Land gekomen. Als je op
de berg klimt kun je het zien liggen. Nu moet je twaalf mannen van het volk
nemen, uit elke stam één en die moeten het gaan bespioneren.’
‘Komt in orde, Heer!’zei Mozes. Hij was gewend om meteen in
actie te komen als God hem iets opdroeg. Een keertje had hij het niet gedaan en
daar had hij nog steeds spijt van…
Hij ging meteen met de leiders van de stammen praten. Zij
kenden hun mensen en wisten precies wie er moed had en slim was.
’t Is altijd leuk als je ergens voor wordt uitgekozen, maar
dit keer zat er best een risico aan.
Spion zijn is een gevaarlijk beroep. Je kunt ontdekt worden,
vermoord zelfs! Maar na wat heen en weer gepraat kwamen ze er toch samen uit.
Daar stonden ze dan: Sammua, Safat, Kaleb, Jogal, Hosea, (Mozes noemde hem
altijd Jozua), Palti, Gaddiël, Gaddi, Ammiël, Setur, Nachbi, Geüel. Twaalf in
totaal. Zie je ze al voor je?
Net als bij voetballers vóór een wedstrijd stonden ze te
trappelen van ongeduld. Maar Mozes moest hen eerst nog instructies geven.
‘Trek hier het Zuiderland in en dan over de bergen. Je moet
kijken of het volk dat er woont sterk is of zwak, klein of talrijk… Kijk ook
naar het land zelf. Is het goed of slecht, zijn er steden en waar liggen die.
Zijn er ergens vestingen. Onthoud waar er bomen zijn en of we van de opbrengst
van het land kunnen leven. Dat zie je gauw genoeg. Het is nu zo’n beetje de
tijd van de druivenoogst, dus kijk eens of er ergens wijngaarden zijn.
Begrepen?’
Natuurlijk waren er nog wat vragen en iemand had wat goeie
adviezen hoe ze zich kleden moesten zonder op te vallen. Van alle kanten kregen
ze waterkruiken en eten voor onderweg. Na veel kussen en omhelzingen van hun
kinderen en vrouwen en vooral veel heel veel goede wensen vertrok de groep
richting het Zuiderland.
Wat een avontuur. Spannend ook, want hiervoor hadden ze het
allemaal gedaan. Ze waren niet voor niks uit Egypte getrokken, waar ze door
slavendrijvers geslagen waren en waar hun kinderen vermoord werden. ‘Ik breng
je in een land van melk en honing,’ had de Heer beloofd. Nou, kom maar op! Eindelijk zouden ze uit
die vreselijk hete woestijn binnengaan in het Beloofde Land. Ze liepen en keken
en deden net alsof. Ze overlegden, slim, sluw, onopvallend veertig dagen lang,
aanvankelijk vol verwachting, maar naarmate de tijd verstreek steeds
moedelozer.
O Here God, wat verschrikkelijk…
Ja, oké, het wás een schitterend land, vruchtbaar tot en
met. Granaatappelen, druiven, vijgen, waterbronnen. Maar…. DE INWONERS WAREN
REUZEN, klerenkasten, met handen als
kolenschoppen en spierballen als boksers.
In doffe wanhoop plofte de groep verspieders tenslotte neer
in een droge greppel. Sommigen hadden tranen in de ogen, anderen keken
verbeten, alsof ze Mozes de schuld wilden geven van deze ‘mission impossible’
Alle twaalf? Eh… nee, niet alle twaalf.
Twee hielden de moed erin. Jozua en Kaleb.
‘Daar zijn ze, daar zijn ze terug!’gilde de oudste zoon van
Kaleb.
Meteen was iedereen alert. Stipjes in de verte… Waren dat de
verspieders? Ja hoor! O, nu zouden ze spoedig horen hoe het land was waar ze
naar op weg waren. Jaaaaa! Iedereen begon te rennen om maar vooral vooraan te
staan als het verslag werd gedaan. Mozes kwam ook uit zijn tent, waar hij voor
zijn mensen had gebeden.
En? En? O, het was goed, dat kon je zo zien.
Kaleb en Jogal hadden een enorme druiventros bij zich, die
over een stok hing. Ze moesten hem met zijn tweeën dragen, zo groot was tie.
Druiven zo groot als kleine pruimen! O kijk, anderen hadden prachtige sappige
granaatappels en vijgen bij zich. Machtig zeg!
‘St! Stil nou even allemaal, we kunnen niks verstaan!’ riep
de vrouw van Gaddi, blij dat ze haar man weer heelhuids terugzag.
Toen begonnen de verspieders te vertellen. Ja, het was
inderdaad een land van melk en honing, maar…
Bij het horen van het verhaal van de reuzen was het even
stil en toen brak het lawaai los. Huilen, schreeuwen, wanhoop en woede barstte
los.
‘Mozes, wat heb je ons aangedaan. Waren we maar in Egypte
gebleven. We zullen allemaal sterven in de woestijn!’Het gejammer hield maar
aan.
‘STILTE!!’ Wie ging daar op een kist staan? Wie brulde zijn
longen uit zijn lijf om het stil te krijgen? Het was Kaleb en Jozua ging naast
hem staan.
‘STIL ALLEMAAL!!’
En het werd stil.
‘Luister goed,’zei Kaleb ‘laten we gerust optrekken en het
land in bezit nemen, als de Heer met ons is en van ons houdt dan zal hij ons
brengen in dit land, dat vloeit van melk en honing.’
‘Ja, voegde Jozua er aan toe, ‘De Heer is met ons, we vrezen
niet voor reuzen, hoe sterk ze ook zijn!’
Hoe het verder afliep? ’t Is nog een heel verhaal, maar een
ding is zeker. Jozua en Kaleb kwamen er wel en alle anderen niet. Nog veertig
jaar moest het volk Israël door de woestijn trekken. Dat was de straf voor hun
ongeloof.
Ja, onze God kan reuzen verslaan en daar vertrouwen we op.
Bij Hem is niets onmogelijk.