Little Pilgrim 1

(Kijk bij boekjes voor de plaatjes.)

 

Er was eens een kleine muis, die woonde in een hutje in het Donkere Woud met zijn moeder, vader en zijn zus.  Op een dag vond de kleine muis, die Little Pilgrim  werd genoemd een vreemde spiegel.

Hij pakte hem op en keek er in. Wat een mooi, glad glanzend ding was dat.

Little keek eigenlijk nooit in een spiegel en hij schrok dus behoorlijk toen hij ineens een lelijk gezicht in de spiegel zag! 

“Hè? Zit daar iemand in?” riep hij verbaasd, maar na een poosje uitproberen ontdekte hij dat hij het zelf was.
“Wat ben ik lelijk!” riep Little Pilgrim, “Dat komt doordat ik zoveel slechte dingen doe. Ik heb er eigenlijk nooit bij stilgestaan, maar die spiegel spreekt de waarheid!”

Hij onderzocht de spiegel eens nader en ontdekte dat hij open ging als een boek.
Pilgrim ging er maar eens bij zitten en begon te lezen. Het was een belangrijke boodschap!

 Hij las een tijdje en hoe meer hij in de spiegel las, hoe verdrietiger hij werd.

De tranen rolden over zijn wangen.  

“Ik ga maar naar huis!” zuchtte Pilgrim, “wat een ernstige boodschap! Ik wist niet dat ik zo verkeerd leefde.” Toen zijn moeder hem zag stopte ze hem gauw in bed.

 

“Wat is er met je aan de hand?” vroeg ze bezorgd.
“Ik keek gewoon in deze spiegel” zei Pilgrim, “Maar hoe meer ik kijk hoe erger het met mij wordt.”
 

“Weggooien dan, die rare spiegel,” zei Little’s moeder boos en ze gooide hem in het vuur.

 Pilgrim lag een tijdje in bed. Hij keek naar de vlammen die rond de spiegel likten. Maar er was iets vreemds aan de hand, want… de spiegel verbrandde niet.

 Hij sprong uit bed en trok de spiegel met een tang uit het vuur. Wat bijzonder!

De spiegel was niet verbrand. Er zaten ook geen brandplekken op. Little kon hem gewoon vasthouden zonder z’n vingers te verbranden.

“Ik ben benieuwd wat er nog meer over mij geschreven staat.” zei de muis, terwijl hij de spiegel opende als een boek.

Ja hoor…! Er waren nieuwe woorden.

“Er is een plaats waar iedereen van zijn verdriet kan genezen!” las hij.

“Iedereen is iedereen,” dacht Little “en daar hoor ik ook bij!”

“Daar moet ik naar toe,” besloot Little en hij pakte snel wat spullen in een rugzak en vertrok.

Vond zijn moeder dat wel goed?

 

Daar had je de poppen al aan het dansen.

“Hé, ventje, waar ga jij naar toe? Gauw je bed in. Ik ben net wat lekkers aan het maken voor je.

Je lievelingseten. Dan word je weer mijn lieve gelukkige muis.”

 “Kijk eens, lollies en koekjes en zoete roombroodjes… Ik ben ook patat aan het bakken!”
“Nee, dankuwel moeder,” zei Pilgrim.
“Ik ga naar een plaats toe waar al mijn verdriet wordt genezen!”

Ook vader kwam naar de deur.

“Wat gij jij nou doen?” riep hij bezorgd. “Je gaat ons toch niet verlaten? Jongen, blijf bij ons. Je moet je schoolopleiding afmaken. En daarna een baan zoeken. Anders zul je nooit rijk en beroemd worden!”

 “Nee pa!” zei Little Pilgrim, “Ik moet eerst genezen worden van die pijn in mijn hart. De rest komt later wel.”  

Little Pilgrim was al een heel eind het bos in gelopen, toen hij nog zijn zusje hoorde roepen: “Broertje, kom terug!” Maar de muis was vastbesloten. Hij moest doen wat hij moest doen.

 

Na een tijdje werd het lichter. Het Donkere Woud ging over in een liefelijk landschap.
In de verte zag Pilgrim een paal staan op een heuvel.

Hij liep er naar toe. Het was een vreemd gevormde heuvel.

Die rare ronde gaten. Het leek wel een groene doodskop.

Er stond ook een bordje bij:
”Hier ga je van de dood over in het leven!”

Het klonk veelbelovend. 

Pilgrim klom de heuvel op en wat zag hij?

Op de paal was een papier vastgespijkerd met een Lam erop getekend.

Op het moment dat Pilgrim naar het Lam keek werd hij genezen van zijn diepe verdriet. Hij voelde zich niet meer ziek. Nieuwe kracht stroomde zijn lichaam binnen.

Little maakt een dansje van plezier.

 

Plotseling stond er een man bij hem met een boek in zijn hand. Waar kwam die nou ineens vandaan?

“Ik ben Evangelist,” zei de man. Ik breng je een blijde boodschap, “Dit boek is voor jou. Alles wat er in staat is van belang.”
Little Pilgrim keek verbaasd.

Een echt boek? Met een blijde boodschap? Dat wilde hij wel hebben.

Dankuwel, meneer de Evangelist,” zei hij.

“En… eh… komt deze spiegel soms ook van u?”
“Nee,” zei de man, “Die is van de koning. Het is de spiegel van de Tien Geboden. De wet van de koning staat erin.”

 Toen Evangelist was verdwenen opende Little het boek.
Wat een prachtig geschenk!

En weet je wat hij tussen de bladzijden vond? Een routekaart naar het Grote Kasteel van de koning.
“Hoera!” riep de muis, “Nou weet ik precies hoe ik bij de koning kan komen! Ik ga meteen op pad.”

 Hij volgde de weg nauwkeurig zoals het was aangegeven op de kaart.

 

Na een hele tijd kwam hij bij twee ingangen.

De ene ingang was erg smal en de andere erg wijd.
Bij de nauwe ingang stond een bordje met de woorden:  “DE GOEDE WEG NAAR HET LEVEN.”
De wijde ingang had ook een bordje “DE WEG OM TE GENIETEN VAN HET LEVEN, LET OP: DOODLOPEND.”

Het pad achter de nauwe ingang liep omhoog met allerlei bochten.

Het was niet makkelijk begaanbaar.

 De laan achter de wijde ingang was mooi bestraat en erg gezellig.

 Pilgrim keek even in zijn boek.

Mmmm!” zei hij verrast.
“Volgens de koning moeten we door de nauwe ingang gaan. Nou, dat doen we dan maar!”

Hij perste zich door de nauwe ingang.

Hij was zelfs zo nauw, dat je al je spullen uit je broekzak moest halen anders kon je er niet door.

Little Pilgrim had dat er wel voor over. 


Daar ging hij dan, over het smalle pad. Al spoedig ging het naar beneden. Little was wel nieuwsgierig naar wat hij zou tegenkomen. Na een hele tijd… Owee!

Waar kwam hij nou terecht?

De weg naar het paleis liep door het Stinkende Moeras!

Bah! Wat een gore lucht!

“Dit is vast een misverstand.” dacht Pilgrim.
“De koning zal toch niet toestaan dat ik door die viezigheid heen moet? Dat lijkt me sterk.”

 Toch zat er niets anders op dan doorgaan. Little kneep zijn neus dicht en waagde de sprong.

 Bah! Wat goor!

De modderpoel werd dieper en dieper. De muis zakte er tot zijn borst in. Hij ging bijna over zijn nek van de vieze lucht. 

“O, dit red ik niet!” dacht Little, “Help! Was ik maar bij moeder thuis gebleven!”

Hij dacht aan zijn gezellige kamertje en het lekkere eten dat moeder altijd klaarmaakte en aan zijn vader en lieve zusje… Bijna kreeg hij spijt.

 

“Volhouden!” hoorde hij ineens roepen.

Er stond een leuke muis aan de overkant van het moeras.

Het was Bemoediging, die gezonden was door de koning om Little bij te staan.

Zijn leuke grijns gaf Little moed om verder te worstelen.

Goedzo! Je redt het wel!” riep Bemoediging. “Nog even en je bent er door!”

Hij stak zijn hand uit en trok Little uit het Stinkende Moeras.

“Nou nou!“ grijnsde hij, “Jij bent even vies geworden. Je lijkt wel een stinkdier. Je bent wel aan een wasbeurtje toe, zeg!”

“Nou en of,” griezelde Little, “Als mijn moeder me zo zag! Maar waar kan ik me wassen. Heb jij enig idee?”

Hij stampte met zijn voeten en schudde met zijn buik. De spetters vlogen in de rondte.

“Hou op!” riep Bemoediging lachend, “straks stink ik net zo hard als jij! Kom maar mee. Ik weet wel wat. 

 (wordt vervolgd.)