Lezen uit de bijbel
week 49

In het bijbelboek: Matt. 1: 18-26
De
afkomst van Jezus Christus was als volgt.
Toen
zijn moeder Maria al verloofd was met Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek
ze in verwachting te zijn door de heilige Geest.
Haar
man Jozef, die een goed mens was, wilde niet dat iedereen over haar ging
kletsen en dacht erover om in het geheim van haar te scheiden.
Toen
hij dit bedacht, verscheen hem in een droom een engel van de Heer.
De
engel zei: ‘Jozef, wees niet bang je
vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de
heilige Geest. Ze zal een zoon krijgen. Geef hem de naam Jezus, want hij zal
zijn volk bevrijden van hun zonden.’
Dit
alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat door de profeet is gezegd:
‘De maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal hem de naam
Immanuël geven,’ wat in onze taal betekent ‘God met ons’.
Jozef
werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam haar
bij zich als zijn vrouw…
En
hij gaf hem de naam Jezus.
Verklaring:
De tekst is een beetje
begrijpelijker gemaakt!!
Maagd: een meisje, dat nog niet met een jongen
naar bed is geweest.