Klaarleggen: zout, proppen papier, glas, opschrijfblaadje en
pen.
Knip deze strookjes uit en deel ze uit aan de helft van de
groep.
|
1.Ik beloof dat ik voor je zal staan. |
2.Ik beloof dat ik een glas water voor je zal halen |
3.Ik beloof je ergens mee te helpen. |
4.Ik beloof dat ik je zal dragen. |
|
5.Ik beloof mee te zoeken |
6.Ik beloof alles samen met jou te doen |
7.Ik beloof je te troosten in verdriet |
|
De andere helft krijgt een opdracht. Ze mogen gebruik maken
van 1 belofte.
Opdrachten:
1.Gooi met propjes papier naar dit kind.
2.Maak je vinger een klein beetje nat en doop hem dan in
zout. Lik je vinger af.
3.Schrijf vijf namen van bekende Nederlanders op.
4.(Zet twee stoelen twee meter uit elkaar) Ga zonder de
grond te raken van de ene stoel naar de andere.
5.Zoek in de tuin een klein miertje of een ander beestje.
6.Zing een liedje voor een kleuter.
7.Laat eens horen hoe een hond huilt.
Zo gaf God ons ook beloftes, die we mogen claimen.
*of: Leer de kinderen wat geloven is.
Neem een ongepelde pinda en verberg die zonder dat ze het
zien in de hand.
Zeg: Ik heb iets in mijn hand en dat heeft nog nooit iemand
gezien.
Geloof je dat?
(Nee natuurlijk.)
Dan laat je de pinda zien en je wacht tot ze zeggen: Die
heeft wel iemand eens gezien. Hij is toch gekocht?
Maak de pinda open en toon de nootjes.
Zeg dan: Maar deze niet. En ik kan ze ook weer laten
verdwijnen.
Eet ze op.
Geef alle kinderen een pinda om thuis aan anderen door te
vertellen.
*Of: Elk kind krijgt een papiertje om woorden op te
schrijven die met zending te maken hebben.
Daarna om de beurt voorlezen. Voor elk woord dat hij/zij alleen heeft krijgt het tien punten. Voor elk woord, dat hij/zij samen met een ander kind heeft krijgen ze 5 punten en voor alle andere woorden die meer mensen opschreven krijgen ze 1 punt. Wie heeft de meeste punten. Zorg voor klein cadeautje.