Lezen uit de bijbel
week 44

In het bijbelboek: Jesaja 6:1-9
In het jaar dat koning
Uzzia stierf, zag ik de Heer, gezeten
op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven
hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en
twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen
elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de
hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ Door het luide
roepen schudden de pinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. Ik
schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine
lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb
ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten,
gezien.’ Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het
altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu
zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ Daarop
hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons
gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’
Verklaring:
Dit stukje gaat over de
roeping van Jesaja. God is ontzagwekkend mooi en Jesaja voelde zich zondig. Jesaja’s
lippen werden gereinigd, maar dat vuur deed hem geen zeer. Hij had geen
brandplekken op zijn mond. Het was vuur ‘bij wijze van spreken.’ Snap je? Zoals
bij dopen gebeurt met water.
In het jaar dat koning
Uzzia stierf: toen hadden ze nog niet de jaartelling zoals
wij. De mensen rekenden met de regering van de koningen.
Serafs: een bepaald soort engelen, deze hebben vleugels.