Activiteit week 31

(15 min.) 

Spel: Knipogen

Vorm een dubbele kring

Een van de kinderen staat alleen. Hij knipoogt naar een voorste kind, en dat kind wil dan naar de knipoger toe rennen, maar wie achter hem/haar staat pakt hem/haar gauw beet om te voorkomen dat hij/zij wegloopt.

De knipoger maakt dan weer oogcontact met een ander kind uit de voorste kring.

 

Straatspel: Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het loopt op straat.

Bijv. een zwerver, een dronken man, een inbreker, een dief, een politieagent, een oud vrouwtje, een postbode, een moeder met een wandelwagentje, een brandweerman, een verslaafde, een bedelaar.

 

Speel het volgende stukje uit:

 

Mijn bloemen.

Een paar kinderen worden versierd als bloemen. Een kind speelt de pestkop.(evt. gezicht zwart maken, pruik op?)

De pestkop verstopt zich.

De leidster vertelt dat zij een mooie tuin heeft aangelegd met schitterende bloemen. Het zijn heel bijzondere, want als je aardig tegen ze spreekt gaan ze stralen en pronken. (De bloemenkinderen doen het.)

“Maar,“ zegt de juf, “als je ze uitscheldt gaan ze hangen.”

Ze geeft ze zogenaamd water en praat lief tegen hen.

Dan zegt ze: "Ik moet even weg, passen jullie op mijn tuintje?"

Als de leidster weg is komt de pestkop te voorschijn. Hij begint de bloemen uit te lachen. Hij wil zelfs een schaar om ze af te knippen De bloemen gaan hele­maal in elkaar zitten.

De leidster komt en de pestkop verdwijnt vlug.  

"Wie heeft dat gedaan?" vraagt ze.

Ze gaat de bloe­men weer lief toespreken, giet nog wat water bij en dan moet ze weer even weg. De tweede keer gaat het weer als de eerste keer. De leid­ster gaat eens goed zoeken en ja hoor. Ze vindt de boosdoener. Hij wordt bestraffend toegesproken.

"Als we jou uitlachen en we zeggen dat je zulk raar haar hebt, hoe zou jij dat vinden?"

Er wordt uitgelegd (niet te lang) dat we elkaar kunnen zegen­en of pijn doen vloeken en we eindigen met: "Ik zegen jou in Jezus' naam."