Opdracht   week 25

Ongeveer vijf minuten

 

     Laat ons spreken altijd vriendelijk zijn.

 

Leg een stuk of tien steentjes neer en tien stukjes brood. Deze bladzijde kun je uitprinten en op tafel leggen,  of je leest de zinnen voor en dan laat je de steentjes en de stukjes brood op twee schoteltjes leggen, een schoteltje voor de mooie dingen en een schoteltje voor de lelijke dingen.

Hier zijn een paar zinnen. Ze zijn brood of ze zijn een steen.

Leg om de beurt een stukje brood of een steentje op het papier, of leg ze op een of ander schoteltje.

Waarvan zijn er meer?

Kun je ‘Ja hoor, dat geloof ik!’ vriendelijk zeggen, maar ook onaardig? Laat eens horen…

Kun je ‘Sorry!’ zowel vriendelijk als hard zeggen? Laat eens horen…

 

Kom maar, dan zal ik je even helpen.

 

Jij hebt altijd een chagrijnige smoel.

Jij wordt later putjesschepper.

Je kan niks.

Zullen we een potje voetballen?

Ze moesten al die buitenlanders het land uitzetten.

Kom je even een bakkie koffie drinken?

 

Mag ik een eindje met je meelopen?

Heb je al gehoord dat Hans z’n vader altijd dronken is?

Ik sta echt achter je.

Ja hoor, dat geloof ik.

We hebben alles voor je over.

 

Morgen komt er weer een dag.

Zal ik er een pleister op doen?

Eigen schuld, dikke bult.

Ja, dat had ik je ook wel kunnen zeggen.

Na regen komt zonneschijn.

 

Wie zijn gat brandt moet op de blaren zitten.

Daar zijn vrienden voor.

Welkom.

Ik zal de hond op je afsturen.

Gezellig, hè?

 

Met z’n allen staan we sterk.

Ik zegen jou.

Maak dat je wegkomt, stuk ongeluk.

Sorry.