Opdracht   week 24

Ongeveer vijf minuten

Maak drie kaartjes en laat die na elkaar voorlezen en beantwoorden.

 

Stel je voor: Je moeder heeft je verboden om met de buurkinderen om te gaan, omdat ze zo asociaal zijn. Maar jij ziet onderweg naar huis een van die kinderen op straat liggen met een verzwikte enkel. Wat doe je?

         1.         Breng je haar thuis, al hinkend en steunend op je schouder?

         2.         Doe je wat je moeder zegt?

         3.         Vraag je je iemand anders om te helpen.

Stel je voor: Je vrienden gaan ’s nachts bij mensen inbreken. Jij bent een keertje meegegaan, zonder dat je ouders het wisten. Je vrienden laten je zweren dat je niets aan je ouders vertelt. Wat doe je?

  1. Je vertelt het toch?
  2. Je zwijgt en draagt het geheim met je mee, maar voelt je er niet happy mee?

    3.    Omdat ze je bedreigen ga je nog maar een keertje mee.

Stel je voor: Je bent met een groepje vrienden op het plein. Ze rotzooien wat bij de klimrekken en gaan tenslotte op de bankjes zitten. Een begint er te vloeken. Van het een komt het ander, ze spotten met Jezus en de christenen.

Wat doe jij dan?

  1. Je zegt: Hallo, Jezus is toevallig wel mijn beste vriend, hoor! Effe dimme.
  2. Je gaat naar huis. Ze bekijken het maar.
  3. Je zoekt de ergste spotter uit, noemt zijn naam en zegt: Zeg, ….  Hoe kun je nou denken dat God niet bestaat. Weet je dat zelfs jouw naam in de bijbel staat?  (Hij gelooft het niet. Jij zegt:) echt waar. Psalm 14:1 (NBG-vertaling) De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. 

    4.   Je lacht wat oenig en zwijgt.