'Juf, juf,
ik ben met mijn vader naar het vliegtuigmuseum geweest... en daar heb ik een
echte ruimtevaartcapsule gezien!' Opgewonden komt Sjoerd op een dag de klas
binnenrennen. De anderen komen gelijk om hem heen staan. Sjonge, wat leuk.
'Hebbie
nog een ruimtevaarder gezien?' vraagt Appie naïef.
'Nee,
natuurlijk niet!' antwoordt Sjoerd lachend. '... Ik ben erin geweest, er zijn
allemaal knopjes en schuifjes. Mijn vader zegt, dat zo'n ding wel miljarden
guldens kost.'
'Zo!' zegt
Ymke, 'Je zal hem per ongeluk kapot maken, zeg!'
'Nou,
zeker!' stemt Sjoerd in. 'Daarom moet je ook een opleiding volgen om
ruimtevaarder te worden en goed naar het grondstation luisteren, want anders...
Pfammm! Daar gaat je mooie capsule.'
De
kinderen praten nog even door over capsules en ruimtevaarders, maar tenslotte
maakt juf Connie er een eind aan. Ze gaat weer verder vertellen van Adam en Eva
in de mooie tuin. O wee! Daar ging ook al iets mis.
Koning en
koningin. Dat waren Adam en Eva eigenlijk. Ze mochten heersen over de bomen, de
bloemen en de dieren.
'Jullie
moeten de hof bewerken en bewaren,' zei Vader God. 'Maar één ding. Blijf van de
Boom van Kennis van Goed en Kwaad af! Je mag er niet van eten, anders zul je
zeker sterven. Begrepen?'
Adam en
Eva knikten. Erg moeilijk was dat niet. Er was zoveel te ontdekken. Een
hagedisje, dat kon zwemmen of een hertje met jongen... Ze stonden steeds weer
verbaasd van Gods wijsheid en goede zorg. En wat was het fijn als God bij hen
was, met hen wandelde en alles besprak.
Eén was
er, die de band tussen God en zijn kinderen kapot wilde maken. Het was satan,
een opstandige engel, die in plaats van God de baas wilde zijn. En de slang,
het slimste dier van het veld, wilde hem daarbij wel een handje helpen.
Op een dag
gaan Adam en Eva naar het midden van de hof, waar de Boom des Levens en de Boom
van Kennis van God en Kwaad staan. De slang houdt hen goed in de gaten. Zodra
hij merkt dat Eva alleen staat, kronkelt hij naar haar toe.
'Mogen
jullie van geen ene boom eten?' vraagt hij zeurderig.
Eva draait
zich verbaasd om. Praat de slang?
'Ja hoor!
We mogen van alle bomen eten,' antwoordt ze. 'Alleen niet van die boom daar,
anders zullen we sterven.'
Minachtend
draait de slang zijn smalle kop met de koude ogen opzij. Zijn gespleten tong
flitst heen en weer.
'Tsss...
sterven? Welnee! God weet gewoon, dat als je daarvan eet, je net als Hij zult
zijn. Dan ken je goed en kwaad!'
Eva blijft
als aan de grond genageld staan. Wat zegt de slang nou? Zou God het daarom
verboden hebben? Ze bekijkt de boom nog eens. Hij ziet er heel normaal uit. De
vruchten lijken sappig en zoet. Voorzichtig steekt ze één vinger uit om te
voelen of ze rijp zijn.
'Wat doe
je?'
Het is
Adam die achter haar staat.
'Je mag
niet aan die boom komen, weet je wel?' zegt hij vermanend. Eva legt hem uit wat
de slang heeft gezegd. Daar kijkt Adam wel van op. Zou God hen echt dom willen
houden, zodat ze niet zoals Hij zullen worden? Weifelend bekijken ze de boom
nog eens van alle kanten. Niks bijzonders aan te zien. Tenslotte hakt Eva de
knoop door. Ze plukt resoluut twee vruchten en geeft er één aan Adam. Als ze er
een hap uit genomen hebben, weten ze het zeker... De slang heeft gelogen.
Zacht
ruisen de bomen in de avondkoelte. Vader God wandelt door de hof. Hij zoekt
zijn kinderen op. Waar zitten ze toch?
'Adam,
Eva, waar zijn jullie?' roept Hij een paar keer. Eindelijk geven ze antwoord
vanuit de bosjes, waarin ze weggekropen zitten.
'Wij
vinden het zo gek dat wij naakt zijn...' zeggen ze.
Beschaamd
komen ze te voorschijn.
O kijk
toch! Om hun middel hebben ze schorten geknoopt van vijgenbladeren.
'Wie heeft
jullie wijsgemaakt dat je naakt bent?' vraagt God streng. 'Hebben jullie soms
van die boom gegeten, waarvan Ik jullie verboden heb te eten?'
Eva begint
te huilen en Adam verontschuldigt zich.
'Die
vrouw, die u mij gegeven hebt, die heeft mij van de vrucht laten eten.' zegt hij.
'De slang
heeft me bedrogen,' snikt Eva.
Ja, daar
zit de slang. Doodstil, z'n kop afgewend, z'n ogen gesloten. O, hij haat God.
'Jij
slang,' zegt God woedend, 'Vervloekt ben je. Voortaan zul je op je buik gaan en
stof in je bek krijgen, zolang je leeft. En jij, Satan... Ik zal vijandschap
zetten tussen jou en de vrouw, tussen de mensen die jou willen dienen en haar
nakomelingen. EENS ZAL ER IEMAND GEBOREN WORDEN, DIE JOUW KOP ZAL VERMORZELEN,
HOEWEL JIJ ZIJN HIEL ZAL VERMORZELEN.'
Adam en
Eva horen deze woorden en vergeten ze nooit meer. O ja, Vader God blijft van
hen houden, ook al moet Hij hen streng straffen voor wat ze gedaan hebben. Pijn
en verdriet zullen ze ervaren. De aarde zal vol dorens en distels zijn. Adam
zal moeten zwoegen voor zijn dagelijks brood en ze zullen beiden sterven. Nu ze
net als God geworden zijn en goed en kwaad kennen, mogen ze natuurlijk niet
meer bij de Boom des Levens komen. God stuurt hen weg uit de hof. Een engel met
vlammend zwaard moet de toegang bewaken.
Over de
woeste hoogvlakte lopen Adam en Eva. Ze zijn geen koning en koningin meer. Dat
is erg jammer. Maar toch... van één ding zijn ze zeker. GOD HOUDT NOG STEEDS
VEEL VAN HEN, WANT HIJ MAAKTE ZELF WARME KLEREN VOOR ZE VAN SCHAPENVACHTEN. Eva
streelt zacht over het krulletjesbont en zegt troostend tegen Adam, terwijl ze
zijn hand pakt: 'Ik hoop maar dat die man, die God beloofd heeft, gauw komt.'
Nu zitten
alle kinderen weer te rekenen, op één na. Dat is Ymke. Ze denkt steeds weer aan
het verhaal terug en ook aan wat ze gisteren heeft gedaan. Tenslotte krabbelt
ze een vraag op een briefje voor de juf. Weet je wat erop staat?
'Juf,
houdt God ook nog van je als je hebt gestolen?'