Lezen uit de bijbel
week 17

In het bijbelboek: Genesis
2:3:1-7
Van alle in
het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het
sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie
van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ ‘We mogen de vruchten van alle
bomen eten,’ antwoordde de vrouw, ‘behalve die van de boom in het
midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten
of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan
zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden
zullen zijn
en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ De vrouw keek naar de boom. Zijn
vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het
aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar
vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij
at ervan.
Verklaring:
De slang kon blijkbaar
praten. De slang staat voor de duivel. Die wordt wel de grote slang genoemd.
Hij laat je altijd twijfelen aan wat God zegt.
als goden, dat wil zeggen als God.
Adam had Eva
moeten waarschuwen, maar dat deed hij niet. Daarom wordt er in de bijbel wel
gezegd: Adam zondigde.