HUIL MAAR UIT, PETRUS
Heb jij wel
eens uitgehuild bij je vader of je moeder? Je hele lijf schokte van verdriet.
Het leek wel of je hart zou breken. Je kon geen woorden vinden om het te
vertellen. Je had een zakdoek nodig voor de stroom tranen en voor je rode,
natte neus. Ja? Heb jij dat ook wel eens meegemaakt?
Heb jij dan
ook die armen om je heen gevoeld van je vader of je moeder? Voelde je die
aaiende handen over je hoofd? Hoorde je die troostende kleine woordjes? Ja?
Langzaam zakte
dan je verdriet weg. Je snikte nog wat na... Dan werd je rustig. Het nare was
er nog wel, maar het deed geen pijn meer. Vader of moeder wisten ervan. Petrus
heeft ook eens zo vreselijk gehuild. Uitgehuild bij God, zijn hemelse Vader.
Jezus en Zijn
discipelen hebben zojuist het Pesachfeest gevierd in een bovenzaal in
Jeruzalem. Nu gaan ze op weg naar de olijftuin Getsémané om daar te slapen.
Terwijl ze door de nauwe straatjes van de stad lopen, zegt Jezus: 'Vannacht zullen
jullie allemaal wensen dat je Mij niet kende.'
Petrus, die
voorop loopt met een fakkel in de hand, houdt zijn pas in. Wat zegt de Heer nou
toch? Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij over zijn schouder naar Jezus.
Doordat ze net over een maanverlicht stukje lopen kan hij Hem goed zien.
Verbeeldt hij het zich, of ziet Jezus inderdaad zo bleek. In ieder geval
klinken Zijn woorden erg ernstig.
'Ja heus!'
zegt Hij, 'Gods Woord zegt immers dat de herder doodgemaakt zal worden en zijn
schapen zullen verjaagd worden. Zoals het staat geschreven zal het gebeuren.'
'Maar, Heer,'
valt Petrus vlug in, 'Ik zal u nooit in de steek laten of vluchten. Nooit!!'
Hij geeft de
fakkel aan Andreas en gaat vlak voor Jezus staan.
'Nooit!'
herhaalt hij weer.
Jezus legt
beide handen op Petrus' schouders, kijkt hem recht in de ogen en zegt bedroefd:
'Wat ik nu ga zeggen is de waarheid, vriend van me. Voordat de haan
morgenochtend kraait, zal jij drie keer gezegd hebben dat je Mij niet kent.'
Even, heel
even maar vlamt er een schrik door Petrus heen om die woorden, maar hij slaat
zijn ogen niet neer. Hij hoeft zich nergens voor te schamen. Jezus is echt zijn
beste vriend en hij is werkelijk niet van plan Hem ooit in de steek te laten.
'Al moet ik
met u sterven, Heer, dan nog zal ik nooit zeggen dat ik U niet ken.' zegt hij
vastbesloten.
De anderen
zijn om hen heen komen staan. Ze mompelen instemmend.
'Ook wij niet,
Heer. Nooit zullen wij u in de steek laten of zeggen dat wij U niet kennen.'
Jezus kijkt de
kring rond, ziet al die oprechte gezichten en zegt met een berustend gebaar:
'Het is goed. Laten we maar doorlopen.'
Zwijgend
vervolgen ze hun weg. Ieder is bezig met zijn eigen gedachten. Zo lopen ze de
poort door, de brug over en langs de smalle kronkelende paadjes de Olijfberg
op.
Die nacht, de
vreselijkste nacht uit hun leven, wordt de Heer gevangengenomen. Zoals Hij
voorspelde gebeurt het. Alle discipelen vluchten. En Petrus? Kijk, daar sluipt
hij. Van de ene schaduwplek naar de andere
hollend, volgt hij de soldaten die Jezus geboeid meevoeren terug naar de
stad.
Het gaat
regelrecht naar het huis van de hogepriester, waar de Hoge Raad al zit te
wachten om Jezus te ondervragen. Petrus ziet de groep naar binnengaan. Hij
verzint een list om ook binnen te komen. En het lukt. In zijn hart leeft de
gedachte om Jezus te bevrijden als hij er de kans toe ziet. Zo gewoon en
onopvallend mogelijk loopt hij over de binnenplaats, maar zijn ogen dwalen
steeds naar de verlichte zaal waar hij Jezus ziet staan. Ineens wordt hij bij
de mouw gegrepen. Wat is dat?
O gelukkig.
Het is maar een dienstmeisje.
'Hé,' zegt ze
tamelijk luid, 'Jij was ook bij Jezus.'
O wee! Dit kan
gevaarlijk worden. Petrus voelt een rilling over zijn rug gaan, maar hij houdt
zich goed.
'Wie? Ik? Nee
hoor! Ik weet niet wat je zegt!' antwoordt hij koeltjes.
Hij rukt zich
los en loopt, niet te vlug, naar de uitgang. Het meisje gaat schouderophalend
weer aan het werk. Maar net als Petrus door de deur naar buiten wil gaan, ziet
een ander dienstmeisje hem.
'Wacht eens!'
roept ze. 'Die daar hoort ook bij Jezus.'
Petrus' knieën
knikken en zijn tong wordt droog.
'Ik ken die
man niet.' zegt hij schor.
Meer mensen
komen aanlopen om te zien wat er aan de hand is.
'Jaha!' zeggen
ze, 'Jij hoort er ook bij. We horen het aan je dialect.'
Ik zweer het.
Ik ken Hem niet!' schreeuwt Petrus nu.
Och, och, wat
zit hij in het nauw.
'Kukelekuuuu!'
Ergens kraait
een haan. De ochtend komt eraan. Is het echt nog maar een paar uur geleden dat
Jezus dit alles voorspelde?
Petrus hoort
die haan. Hij herinnert zich Jezus' woorden. Driemaal heeft hij Hem
verloochend. Wat vreselijk!
Petrus duwt de
mensen opzij, wankelt naar buiten en gaat op een stoepje zitten huilen. Heel
erg zitten huilen.
'Jezus,
Jezus... Het spijt me zo.'