Deze
week kun je kiezen uit de volgende activiteiten: (15 min.)
* bingospel klik hier
* herderspel
Van te voren 30
lucifersdoosjes beplakken met watten, zodat ze op schapen lijken.
Maak twee groepen. Om de
beurt moeten ze een vraag beantwoorden over het leven van Petrus.
Is het antwoord goed,
dan krijgen ze een schaapje.
Welke groep heeft de
grootste kudde?
1.
Wat was Petrus van beroep? (visser)
2.
Wat gebeurde er met zijn schoonmoeder?
(ziek)
3.
Wat gebeurde er bij de storm op het meer?
(Jezus bestrafte de wind en de golven)
4.
Wat wilde Petrus neerzetten voor Mozes en
Elia tijdens de verheerlijking op de berg? (Tenten)
5.
Wat gebeurde er met het dochtertje van
Jairus? (dood)
6.
Wat zei Petrus tegen het dienstmeisje toen
Jezus was gevangengenomen? (Ik ken hem niet)
7. Waarop heeft Petrus gelopen? (het water)
8.
Waarop reed Jezus Jeruzalem binnen? (ezel)
9.
Wat vond Petrus toen hij bij Jezus graf
kwam? (doeken)
10. Wat gebeurde er bij de bruiloft te Kana? (water in wijn)
11. Wat deed Jezus met Bartimeüs? (genezen)
12. Waarin klom Zacheüs? (vijgenboom)
13. Wat voor agressiefs deed Petrus toen de soldaten Jezus wilden
gevangennemen? (oor afslaan)
14. Hoe vaak heeft Petrus Jezus verloochend? (drie maal)
15. Noem een van de zussen van Lazarus. (Marta en Maria)
16. Hoe heette de moeder van Jezus? (Maria)
17. Wat was Petrus andere naam? (Simon)
18. Waar is Petrus gestorven? (Rome)
19. Wat deed Jezus met de handelaars in de tempel? (wegjagen)
20. Wie werd er onthoofd door Herodes? (Johannes de Doper)
21. Wat deden ze met Jezus kleed toen hij werd gekruisigd?
(verdobbelen)
22. Wat riep Jezus aan het kruis? (Het is volbracht)
23. In welke rivier werd Jezus gedoopt? (Jordaan)
24. Waarmee voedde Jezus vijfduizend mensen? (vijf broden en twee
vissen)
25. Welk gebed leerde Jezus zijn discipelen? (Onze Vader)
26. Hoeveel kruisen stonden er op Golgotha? (Drie)
27. Wat scheurde er doormidden toen Jezus stierf? (voorhangsel)
28. Wie wilde niet geloven dat Jezus was opgestaan? (Tomas)
29. Wat was Zacheüs voor zijn beroep? (tollenaar)
30. Wie waste zijn handen in onschuld? (Pilatus)