Lezen uit de bijbel
week 12

In het bijbelboek Johannes
20:1-11 (ongeveer 5 minuten)
1 Vroeg op de eerste dag van de week,
toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de
steen van de opening van het graf was weggehaald. 2 Ze liep
snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield,
en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem
nu neergelegd hebben.’ 3 Petrus en
de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4 Ze liepen
beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam
als eerste bij het graf. 5 Hij boog
zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6 Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in.
Ook hij zag de linnen doeken, 7 en hij zag
dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar
apart opgerold op een andere plek. 8 Toen ging
ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in.
Hij zag het en geloofde. 9 Want ze
hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10 De leerlingen gingen terug naar huis.
Verklaring:
De discipel van wie Jezus veel hield was Johannes, de
schrijver van dit evangelie.
Uit de Schrift = de bijbel. In die tijd was er alleen nog
maar het Oude Testament. Daarin werd al duizend jaar voor Jezus’ geboorte
voorspeld dat hij zou opstaan uit de dood.