De plastic handschoen (een objectles)
Speel het uit met een plastic handschoen.
Er
lag eens een plastic handschoen op een tuintafeltje. Een brutale mus ging
ernaast zitten. Met z'n kopje schuin bekeek hij het doorschijnende ding en zei:
'Tjiep, wie ben jij?'
'Ik
ben een plastic handschoen, zie je dat niet?' zuchtte deze. Hij had diep
nagedacht en was tot de slotsom gekomen dat hij niet veel waard was. Hij was
niet knap, had geen kleur en een akelige vorm, zo echt onaf. Daarom zuchtte hij
dus. De vogel hipte eens op de pink van de handschoen en spotte: 'Een gek ding
ben je. Je kunt niet eens vliegen!'
Hij
pikte in de vingers van de handschoen.
'Zijn
dit soms je vleugels?'
'Blijf
van me af!' hijgde de handschoen buiten adem, maar de mus vond het leuk om te
plagen en sleepte hem heel gemeen naar de vuilnisbak. Sjilpend van de lol vloog
hij weg. Er kwam een vrouw aan. Ze zag de handschoen liggen.
'Ah!
Daar ben je,' zei ze blij. 'Kom gauw. We gaan het kinderledikantje verven. Ik
heb heel mooie verf gekocht.' Onderwijl trok ze de handschoen aan. Die paste
perfect. Een warm geluk doorstroomde hem. Hiervoor was hij gemaakt. De vrouw
keek even rond in de tuin. Ze streek een lok weg van haar voorhoofd. Van die
gelegenheid maakte de handschoen gebruik om naar de mus te lachen. Kwaad
tsjekkend vloog die weg. Vanuit de huiskamer klonk een kinderstem. 'Mamma, wilt
u dit pianostukje even voorspelen?'
De vrouw liep naar binnen
en speelde wat. Toen de plastic handschoen 's avonds moe en vies op de
gootsteen lag, bedacht hij tevreden: 'Vandaag heb ik pianogespeeld en geverfd.
Ik ben wel wat waard, als de vrouw mij wil gebruiken.'
Heb
jij ook wel eens het gevoel dat je niks waard bent? De Heer Jezus wil je
gebruiken.