In een zaal van het Koninklijk paleis te Babylon zitten een
paar erg belangrijke mensen: ministers, stadhouders en adviseurs. Ze praten met
elkaar, terwijl bedienden rondgaan met koele dranken. Straks zal de grote gong
voor het eten luiden. De deuren van de tuin staan wijd open. Dunne gordijnen
waaien zachtjes naar binnen als de warme wind ertegen blaast. Plotseling zegt
een van hen: 'Kijk eens, de koning wandelt met die asielzoeker uit Juda.'
Een paar mannen staan op en kijken ook.
Ja, koning Darius heeft zijn arm vertrouwelijk geslagen om
de gebogen schouders van de oude Daniël. Ze lopen gezellig te praten. Soms hoor
je de lach van de koning opklinken. Een van de adviseurs, Slassar, zegt zuur:
'Ik kan die jood niet uitstaan.'
'Hij is anders een goede minister.' antwoordt een
stadhouder, die het voor Daniël op wil nemen. 'En hij zorgt goed voor het
volk.'
'Ja, een beetje te goed!' zegt de adviseur weer. 'Ik heb
horen vertellen dat de koning hem zelfs onderkoning wil maken. Stel je voor.
Een allochtoon als onderkoning!'
Hij werpt een boze blik de tuin in.
'De koning vindt hem anders heel bijzonder,' zegt de
stadhouder weer.
'Heel bijzonder!' stuift Slassar op. 'Die man is niet
normaal. Weten jullie wel dat hij driemaal per dag voor het open raam tot zijn
God bidt?'
Hij neemt een slok wijn en vervolgt: 'Maar we houden hem
goed in de gaten. Als we hem op een fout kunnen betrappen, dan is hij er
gloeiend bij.'
Een minister haalt zijn schouders op en zegt: 'Dan kun je
lang wachten, Slassar. Daniël is trouw en werkt heel precies.'
Hij strijkt peinzend met zijn hand langs zijn baard en voegt
er aarzelend aan toe: '... Tenzij we iets tegen hem kunnen vinden in de dienst
van zijn God.'
'Wacht! Ik heb een plan!' roept Slassar uit. Iedereen komt
om hem heen staan en Slassar vertelt wat hij net bedacht heeft om Daniël ten
val te brengen.
De volgende dag staan de ministers en stadhouders voor de
koning.
'O, koning, leef in eeuwigheid. We vinden dat u een wet moet
maken dat niemand deze maand tot een god mag bidden, alleen tot u. En wie het
toch doet, zal in de leeuwenkuil gegooid worden.'
De koning is verbaasd over dit voorstel. Hij trekt zijn
wenkbrauwen hoog op en kijkt hen één voor één aan.
'Iedereen in het land moet weten dat u de baas bent,
majesteit.' zegt Slassar vleiend.
De koning knikt bedachtzaam, weifelt nog even en grijpt dan
de pen. Hij tekent het besluit.
Als Daniël hoort dat deze wet is getekend, gaat hij naar
huis. Hij heeft een bovenkamer met open ramen aan de kant van Jeruzalem en
zoals gewoonlijk buigt hij zijn knieën. Hij gaat niet in een kast zitten of
onder het bed liggen bidden. Denken ze soms dat hij zich schaamt voor zijn God?
Denken ze soms dat een bevelschrift van de koning hem zal doen ophouden te bidden?
Dan hebben ze het mooi mis. Daniël blijft bidden tot God.
Zodra de vijanden Daniël voor het raam zien bidden, rennen
ze naar de koning om het te vertellen. Ze dringen er bij hem op aan om Daniël
in de leeuwenkuil te gooien, omdat een wet van Meden en Perzen nooit herroepen
mag worden.
De koning merkt dat hij in de val is gelopen. Hij probeert
van alles om zijn vriend te bevrijden, maar tevergeefs.
Bij het licht van fakkels wordt Daniël in de avond opgehaald
om in de leeuwenkuil geworpen te worden. De koning is erg bedroefd.
'Ik hoop dat uw God, die u met uw hele hart dient, u zal
bevrijden.'
Er wordt een steen gelegd op de opening van de kuil. Darius
verzegelt die met zijn zegelring.
Zo'n hete, donkere, angstige nacht heeft Daniël nog nooit
meegemaakt. Om hem heen loert het doodsgevaar.
Er hangt een geur van leeuwen en leeuwenuitwerpselen. Hij
hoort hun gesnuif en het zachte grommen, waarmee ze met elkaar contact
onderhouden. Hij voelt hun vachten als ze langs hem lopen. Elk moment kan hij
een harde dreun verwachten, scherpe klauwen voelen of een felle pijn.
Maar Daniël weet bij wie hij kan schuilen. De Heer is immers
zijn schild en pantser.
De koning kan niet slapen. Wat een nacht! Daniël, zijn
vriend, gedood door de leeuwen. Of...
Zodra het lichter wordt houdt hij het niet langer uit. Hij
rent naar de leeuwenkuil. Met betraande ogen en bedroefde stem roept hij uit:
'Daniël, leef je nog? Heeft je God je kunnen bevrijden?'
Er weerklinkt een ijselijk gebrul van een leeuw. De koning
deinst achteruit, geschrokken...
Net wil hij zich omkeren om weg te gaan als hij plotseling
een bekende stem hoort. 'O, koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft een
engel gestuurd en die heeft de muil van de leeuwen dichtgehouden. Ze hebben mij
niets gedaan omdat ik onschuldig ben.'
Wat is de koning blij. Zijn vriend leeft nog. Zijn God heeft
hem gered.
Daniël wordt opgehesen en is weer vrij.
Zijn vijanden hebben echter geen redder. De leeuwen
verscheuren hen met huid en haar.
Koning Darius schrijft een rondzendbrief. Daarin geeft hij
bevel om in zijn gehele rijk de God van Daniël te eren, want alleen Hij is de
enige echte God.
In de grote paleistuin wandelen Darius en Daniël. De koning
heeft zijn arm geslagen om de gebogen schouders van zijn oude vriend. 'Vertel
me alles, Daniël. Alles van die hete, donkere, angstige nacht bij de leeuwen.'
Daniël vertelt en zo nu en dan horen de bedienden de lach
van de koning weerschallen tegen de gebouwen.