Wat is dat? Simson, de zoon van Manoach, hoort onderweg naar
huis iemand kreunen. Speurend kijkt hij rond... Ja, vlakbij hem tegen een dikke
boom zit een jonge Filistijnse vrouw. Haar been is dik en opgezwollen.
'Wat heb je?' vraagt Simson wat verlegen. Het is een treurig
verhaal. Dit is Amora, een van de vriendinnetjes van de Filistijnse soldaten,
die hier in de buurt hun kamp hebben. Om een kleinigheidje hebben ze haar
verwond en alleen achtergelaten. Simson geeft haar wat water te drinken uit z'n
kruik en begeleidt haar naar haar huis in Timna. Deze ontmoeting is het begin
van een vreemde vriendschap tussen hem en dat Filistijnse meisje.
'Pa en moe,' zegt Simson een paar maanden later, 'Ik heb een
Filistijnse vrouw ontmoet waarmee ik wil gaan trouwen.'
Ja, hij is van Amora gaan houden. Van de wat schorre klank
van haar stem en van haar manier van lopen. Hij heeft ook wel gemerkt dat ze
thuis en door haar vrienden slecht wordt behandeld. Als hij voor haar gaat
zorgen zal het beslist anders worden. Maar zijn ouders begrijpen niet wat er in
Simson omgaat.
'Ben je nou helemaal!' roept vader opgewonden uit. 'Een
Filistijnse? Is er dan onder de Israëlieten geen goeie vrouw voor je te
vinden?'
Ook moeder begrijpt er niks van. Simson is echter vastbesloten.
'Neem Amora voor mij, want zij bevalt me.' antwoordt hij
kortaf zonder verdere uitleg. Ja, dan moeten ze zich er maar bij neerleggen.
Een paar dagen later gaan ze met z'n drieën de ouders van het meisje opzoeken
om het huwelijk te regelen. Onderweg gebeurt er iets dat Simson bijna het leven
kost.
'Oewahhh Grammmh!'
Pas op! Een wijd opengesperde bek met scherpe tanden...
gelige felle ogen in een harige kop... Een leeuw. Hij springt woest op Simson
toe. 'Auau! Auhauw!' Twee uitgestrekte klauwen met scherpe nagels willen zijn
schouders openrijten.
'O God, help me!' brult Simson. Op hetzelfde moment voelt
hij dat God hem bovenmenselijke kracht geeft om deze duivelse leeuw aan te
kunnen. Een korte worsteling en... het beest ligt levenloos in het zand. Pffft!
Wat een belevenis. Hoe kwam dat nou? Ja, Simson was gewoon even van de weg
afgeweken, de bergen in, lekker wat klimmen en klauteren. En toen sprong daar
vanachter een rotsblok die leeuw op hem af. Zijn vader en moeder daar beneden
op de weg hebben niks gemerkt. En hij gaat het ze ook niet vertellen. Waarom
zou hij? Van opscheppen houdt hij niet.
Het is een paar maanden later als Simson inderdaad in het
huwelijk treedt met Amora. Haar ouders, wat armoedige boerenmensen, zijn maar
wat blij dat hun dochter zo'n goeie vent krijgt. Simson organiseert een groot
feest met veel eten en drinken, dat wel zeven dagen duurt. De gasten zijn
allemaal Filistijnen. Simsons vrienden wilden natuurlijk niet komen. Om hem
toch een beetje plezier te laten maken met mannen van zijn eigen leeftijd,
zoekt men 30 kameraden voor hem op. Het zijn dezelfde soldaten die Amora toen
zo'n pijn gedaan hadden. Simson ergert zich bont en blauw. Er wordt gedronken,
gevloekt en rare moppen verteld. Ook allerlei weddenschappen afgesloten.
Voorovergebogen, met zijn handen tussen zijn knieën zit hij het een tijdje aan
te zien.
'Hoor eens, lui,' zegt hij tenslotte, zich oprichtend, 'Ik
wil ook met jullie wedden. Als jullie mijn raadsel binnen zeven dagen oplossen,
dan krijg je van mij allemaal een onder en een bovenkleed.'
Een bewonderend gesis wordt gehoord. Dat is een grote inzet.
'Ja,' gaat Simson verder, 'Maar als jullie het niet raden
moet je mij elk een stel onder- en bovenkleren geven. Dat is toch eerlijk,
niet? Luister... Wat betekent dit: 'Spijze ging uit van de eter en zoetigheid
van de sterke.'
De Filistijnen steken hun koppen bij elkaar, overleggen,
raden, gissen, maar zonder succes. Ze kunnen het ook niet weten. Het is iets
dat alleen Simson kan weten. Onderweg hierheen ging hij namelijk weer langs het
pad, waar de dooie leeuw ligt. Tot zijn verbazing zag hij dat een hele zwerm
bijen hun nest hadden gebouwd tussen zijn ribben. Komisch! Eerst was de leeuw
een agressieveling en nu kwam er honing uit zijn buik. Simson had wat van de honing
geproefd en ook wat aan zijn ouders gegeven, zonder te zeggen waar het vandaan
kwam. Moet je die Filistijnen daar zien redeneren. Simson lacht erom. Deze
weddenschap gaan ze verliezen, dat is zeker.
Maar daarin krijgt hij toch ongelijk. De kerels kunnen het
niet uitstaan dat ze straks een hoop geld kwijt zijn. Ze zoeken tenslotte in
het geheim Amora op.
'Zorg dat je de oplossing te weten komt, meissie!' dreigen
ze gemeen. 'Anders steken we je huis in brand.'
Amora is als de dood voor ze. Die gasten doen wat ze zeggen,
zover kent ze hen wel. Uit angst kiest ze toch hun partij in plaats van op haar
man te vertrouwen. Huilend valt ze Simson om de nek. 'Waarom vertel je mij de
oplossing niet? Je houdt niet echt van me, hè?'
Omdat ze zo aanhoudt vertelt Simson haar de oplossing maar.
En ja hoor! Even later komen de Filistijnen grijnzend naar hem toe met het
antwoord.
'Wat is er nou sterker dan een leeuw en zoeter dan honing?
Dat is doodsimpel. Kom op met die beloning, mannetje.'
Simson is woedend. Hij begrijpt hoe de vork in de steel zit.
Ze hebben zijn vrouw bedreigd. Maar wacht maar... Ze zullen hun beloning
krijgen. Met grote stappen loopt hij weg.
Een luidruchtig stelletje Filistijnse soldaten komt hem
tegemoet in Askelon. Ze hebben net een dorpje in Israël geplunderd. Een blinde
woede overvalt Simson. Met zijn grote knuisten doodt hij dertig man. Hun kleren
smijt hij de bedriegers in Timna verachtelijk voor de voeten. En zijn vrouw
Amora wil hij niet meer zien.
Teleurgesteld sukkelt Simson, de knecht van God, terug naar
huis. Hij voelt zich eerlijk gezegd een mislukkeling.