
Nodig: leuke hoed/pet,
snoepsleutel, 2 leuke boekenleggers, evenveel droppoppetjes als er kinderen
zijn, katoenen draadjes van twintig centimeter, evenveel als er kinderen zijn, een
sterke plastic beker, cadeautje voor de winnaar.
1. Je bent geschapen
als tempel van God. Stel je pion op.
3. Uit welke drie
afdelingen bestond de tempel in Jeruzalem? (voorhof, heilige en heilige der
heiligen)
Als je drie dingen weet
mag je drie plaatsen verder. Anders blijf je staan.
7. David mocht van God
de tempel niet bouwen, zijn zoon Salomo wel.
Wat betekent de naam Solomo? (koning van vrede) Ga een plaats
vooruit.
10. De tabernakel moest
ingepakt en gedragen worden. Dat kost tijd. Beurt overslaan dus.
13. Mozes moest zijn
schoenen uitdoen bij de brandende braambos, want God is heilig. Loop een
rondje op blote voeten rond de tafel. Ga maar gauw door naar 23.
16 Ons offerlam Jezus
stierf voor ons in de plaats. Ruil van pion met een van je medespelers.
20 Wie hoort in het
centrum van ons leven te staan? (Jezus) Ga naar het middelste vakje, maar
zet dan wel deze hoed/pet op, zolang je daar staat.
23. Wat kunnen we God
altijd offeren, ook als we geen geld hebben? (lof) Lof is de sleutel om een relatie
met Jezus te hebben. Trakteer iedereen op een snoepsleutel.
26. Wat doet Ware
Liefde? (wacht) Iedereen moet op je wachten, want je mag nog een keer gooien.
30. Wat word je als je
vaak wisselt? (kleingeld) Trek jouw leeftijd af van dat van je buurman en ga
zoveel stappen terug.
33. Hoe duur ben jij?
(even duur als de prijs die voor mij werd betaald, het bloed van Jezus) Ga
naar het plaatsje met hetzelfde getal als de datum van je geboorte.
36. O, wat stom, je hebt je laten overhalen
om softdrugs te roken. Terug naar af.
40. Je hebt vanmorgen
samen met een vriendje/vriendinnetje stille tijd gehouden. Goedzo! Je krijgt
twee boekenleggers voor in je bijbel. Geef er een aan een van je medespelers.
44. Er zijn liegbeestjes
in je tempel gekomen. Alle kinderen binden een touwtje om een droppoppetje zijn
nek en leggen de droppoppetjes in een kring op tafel, het andere einde van het
touwtje in hun hand. Gooi met de dobbelsteen tot je zes gooit. Bij zes moet je
snel je bekertje op die droppoppetjes plaatsen. De anderen moeten dan hun
poppetje terugtrekken. Hoeveel je er gevangen hebt, zoveel plaatsen ga je
vooruit.
46. Nee kan een heel
sterk woord zijn. Wie zei er nee tegen verleiding? (Jozef, Jezus). Ga
handjedrukken met iemand die jij uitkiest. Wie wint mag er 2 vooruit.
49. Je gaat nooit meer
naar de kerk. Ja, zo kom je niet verder met God. Wacht tot je wordt afgelost
door iemand anders.
50. Jezus heeft voor
jou een plaatsje klaargemaakt in de hemel. Jij bent meer dan overwinnaar.
Reserve
opdrachten: