Nadenkertjes over groepsgedrag.

Maak drie kaartjes en laat die na elkaar
voorlezen en beantwoorden.
|
Stel je voor: Je moeder
heeft je verboden om met de buurkinderen om te gaan, omdat ze zo asociaal
zijn. Maar jij ziet onderweg naar huis een van die kinderen op straat liggen
met een verzwikte enkel. Wat doe je? 1. Breng je haar thuis, al hinkend en
steunend op je schouder? 2. Doe je wat je moeder zegt? 3. Vraag je je iemand anders om te
helpen. |
|
Stel je voor: Je vrienden
gaan ’s nachts bij mensen inbreken. Jij bent een keertje meegegaan, zonder
dat je ouders het wisten. Je vrienden laten je zweren dat je niets aan je
ouders vertelt. Wat doe je?
3.
Omdat ze je bedreigen ga je nog maar een keertje mee. |
|
Stel je voor: Je bent met
een groepje vrienden op het plein. Ze rotzooien wat bij de klimrekken en gaan
tenslotte op de bankjes zitten. Een begint er te vloeken. Van het een komt
het ander, ze spotten met Jezus en de christenen. Wat doe jij dan?
4.
Je lacht wat oenig en zwijgt. |