Waarmee vergelijk je vergeving?

Neem een
aantal voorwerpen om vergeving mee duidelijk te maken.
Een bal, een
deken, een stukje zeep, een potje stroop, een hamer, een stufje (gummetje), een
pleister.
Laat de
kinderen in groepjes met een papiertje overleggen en opschrijven met welk
voorwerp je het beste vergeving kunt duidelijk maken.
Een bal, die
kaats je terug.
Een deken,
die bedekt.
Een stukje
zeep, dat wast het vuil weg
Een potje
stroop, daarmee geef je de ander een zoet hapje in plaats van het bittere.
Een hamer,
daarmee timmer je de ander op zijn kop.
Een stufje,
daarmee veeg je alles uit.
Een
pleister, daarmee troost je.
Lijm,
daarmee maak je weer heel.
Schepje,
daarmee gooi je er zand overheen.
Kleurtjes,
daarmee maak je er iets moois van.
Snoepje,
daarmee slik je iets van een ander
Cadeautje,
daarmee verzoen je.