Denkstarter. Goed van vertrouwen
Hoe goed van vertrouwen ben jij? Vul deze enquête in en zie wat jij bent:
GOEDGELOVIG, WANTROUWEND OF VOL ZELFVERTROUWEN.
Tel je A-tjes op en je B-tjes
en je C-tjes.
Schrijf ze in het onderste vakje en kijk daarna wat je bent.
|
|
Vraag |
A Vertrouw je hem wel |
B Vertrouw je hem niet |
C Heb je zelfvertrouwen? |
|
1 |
Er lopen
jongens op het ijs. Eén jongen roept: Kom ook. Het ijs is dik genoeg |
Je gaat
meteen het ijs op |
Je zegt:
Ja, ik ben niet gek |
Je bekijkt
het nog even… |
|
2 |
Je staat
op een muurtje en je vader zegt: ‘Spring maar, dan vang ik je op.’ |
Je springt
meteen |
Je denkt:
Hij heeft me al eens eerder laten vallen. |
Je denkt:
Het risico is groot, maar mijn vader is sterk. |
|
3 |
In een
reclamespot op de tv hebben ze het over een lekker geurtje waardoor alle
jongens verliefd op je worden. |
Je gaat
het meteen kopen van je zakgeld |
Je denkt:
Geloof ik niks van. |
Je
begrijpt meteen dat de firma die het geurtje maakt aan jou wil verdienen. |
|
4 |
Een paar
meiden hebben lipsticks gepikt bij de Hema. Het is
een koud kunstje en je wordt gevraagd mee te doen, dan mag je ook bij hun
geheime club horen |
Je vindt
het niet leuk om een buitenbeetje te zijn en je besluit het voor één keer te
doen. |
Je doet
het niet, bang om opgepakt te worden |
Je vind
het maar domme meiden en lacht ze gewoon uit. |
|
5 |
Je bent in
een pretpark en er is een enorm rad, waarin je ondersteboven hangt op een
grote hoogte. Je hebt geld om een ritje te maken. Wat doe je? |
Je rent
meteen naar de kassa. |
Je denkt
aan dat krantenbericht waarin gemeld werd, dat een jongen twee uur op zijn
kop hing voordat hij bevrijd kon worden en doet het niet. |
Je denkt:
Het gaat meer goed dan fout, maar kan ik voor dat geld niet iets leuks kopen
wat ik mee naar huis kan nemen? |
|
6 |
Je
vriendje zegt dat je best een jointje kan roken. Daar krijg je niks van. |
Je voelt
je al een hele tiener en steekt er dus één op. |
Je verzint
een smoes en gaat naar huis. |
Je denkt:
Jij begint nu al je verstand te verliezen, ajuparaplu!
|
|
7 |
Ze zeggen:
Meisjes hoeven niet verder te leren, ze gaan toch trouwen en een gezin
stichten. |
Je denkt:
Ik ben een meisje en dan ben je niks waard. |
Ik wil
geen aanhangsel van mijn man worden. Ik wil ook iets bereiken. |
Je denkt
na over wat je wil worden en je studeert hard. |
|
8 |
Je bent in
het buitenland op vakantie en er zit een blinde man aan de kant van de weg te
bedelen. |
Je gooit
wat munten in de pet die voor hem ligt |
Je gelooft
niet dat hij blind is. |
Je denkt:
Ik denk dat de man voor het geld drank gaat kopen. Daar ga ik niet aan
meehelpen. |
|
9 |
Je gaat
met je broers naar een klimwand en ze zeggen dat je goed verzekerd zit en
naar boven kunt klimmen |
Je gelooft
ze meteen |
Je durft
toch niet |
Je denkt
even zelf nog controleren. Ze kunnen zich ook vergissen |
|
10 |
De meester
zegt dat je makkelijk die taaltoets kan maken |
Je gaat
dus niet meer oefenen |
Je gelooft
hem niet en kan er niet van slapen. |
Je zorgt
dat je lekker fit bent en kijkt nog even de woordjes na. |
|
|
Optellen |
… maal A |
… maal B |
… maal C |
Wat ben je?
Goed van vertrouwen…. Van 6 - 10 A-tjes
Wantrouwend……. Van 6 - 10 B-tjes
Vol zelfvertrouwen: Van 6 -
10 C-tjes
Heb je minder dan 6 van eenzelfde soort, dan ben je een twijfelaartje,
gemakkelijk over te halen. Probeer er iets aan te doen.